De zaak betreft een vordering van AirHelp Germany GmbH tegen KLM Cityhopper B.V. wegens niet-betaalde compensatie na annulering van vlucht KL1745 van Amsterdam naar Luxemburg op 3 januari 2022. AirHelp baseerde haar vordering op Verordening (EG) nr. 261/2004, die compensatie voorschrijft bij vluchtannuleringen tenzij sprake is van buitengewone omstandigheden.
KLM Cityhopper stelde dat de annulering het gevolg was van een tekort aan bemanningsleden door de COVID-19 pandemie en de daaraan gekoppelde quarantaineverplichtingen. De kantonrechter stelde vast dat de coronapandemie en de overheidsmaatregelen als buitengewone omstandigheden gelden, conform richtlijnen van de Europese Commissie en jurisprudentie van het Hof van Justitie.
De vervoerder had aannemelijk gemaakt dat 35 bemanningsleden in quarantaine zaten, waardoor de bezettingscapaciteit onvoldoende was en annulering van meerdere vluchten onvermijdelijk was. Tevens had KLM Cityhopper redelijke maatregelen getroffen door passagiers om te boeken naar de eerstvolgende beschikbare vlucht, waarmee vertraging werd beperkt.
De kantonrechter concludeerde dat KLM Cityhopper terecht een beroep deed op buitengewone omstandigheden en dat zij alle redelijke maatregelen had genomen om de gevolgen van de annulering te beperken. De vordering van AirHelp werd daarom afgewezen en AirHelp werd veroordeeld tot betaling van de proceskosten.