ECLI:NL:RBNHO:2024:12391

Rechtbank Noord-Holland

Datum uitspraak
21 juni 2024
Publicatiedatum
2 december 2024
Zaaknummer
AWB-23_4406
Instantie
Rechtbank Noord-Holland
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 7:12 AwbArt. 54 lid 3 PwArt. 58 lid 2 onder a Pw
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beoordeling belangenafweging bij terugvordering Tozo-uitkering door gemeente Zaanstad

In deze bestuursrechtelijke zaak ging het om de terugvordering van een Tozo-uitkering door het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Zaanstad. De rechtbank had eerder geoordeeld dat de gemeente bevoegd was de uitkering te herzien en terug te vorderen, maar dat het bestreden besluit onvoldoende gemotiveerd was omdat een belangenafweging ontbrak.

Na een tussenuitspraak heeft de gemeente een nadere motivering gegeven waarin zij de individuele omstandigheden van eiser, zoals zijn schuldenpositie en medische situatie, heeft meegewogen. De rechtbank stelt vast dat de gemeente de belangen nu wel kenbaar en evenwichtig heeft afgewogen en dat het terugvorderingsbesluit passend en noodzakelijk is om het doel van het juiste gebruik van gemeenschapsgeld te bereiken.

De rechtbank oordeelt dat de door eiser aangevoerde omstandigheden niet leiden tot onevenredige gevolgen en dat er geen bijzondere omstandigheden zijn die matiging van de terugvordering rechtvaardigen. Het beroep wordt gegrond verklaard vanwege het eerdere gebrek, maar de rechtsgevolgen van het besluit blijven in stand. Verweerder wordt veroordeeld tot vergoeding van griffierecht en proceskosten aan eiser.

Uitkomst: Het beroep wordt gegrond verklaard, het besluit tot terugvordering blijft in stand, en verweerder wordt veroordeeld tot vergoeding van griffierecht en proceskosten.

Uitspraak

RECHTBANK NOORD-HOLLAND
Zittingsplaats Alkmaar
Bestuursrecht
zaaknummer: HAA 23/4406

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 21 juni 2024 in de zaak tussen

[eiser] , uit Amsterdam, eiser

(gemachtigde: mr. C.M.E. Schreinemacher),
en

het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Zaanstad, verweerder

(gemachtigde: J. Ockers).

Inleiding

1. De rechtbank heeft op 2 maart 2024 een tussenuitspraak gedaan. Daarin heeft de rechtbank geoordeeld dat verweerder terecht heeft geconcludeerd dat eiser vóór 15 september 2020 niet rechtmatig in Nederland verbleef en dat hij vanaf 15 september 2020 niet tot de kring van rechthebbenden voor de Tijdelijke overbruggingsregeling zelfstandig ondernemers (Tozo) behoorde. Verweerder was daarom in beginsel bevoegd om de Tozo-1 uitkering te herzien en terug te vorderen en de Tozo-2 en de Tozo-3 uitkering af te wijzen.
Omdat verweerder niet verplicht is van deze bevoegdheid gebruik te maken, moet verweerder hierbij een belangenafweging maken. Uit het bestreden besluit blijkt niet dat verweerder dit heeft gedaan. In de tussenuitspraak heeft de rechtbank hierover het volgende overwogen:

De intrekking en terugvordering van de Tozo-1 uitkering is gebaseerd op artikel 54, derde lid van de Pw en de terugvordering op basis van artikel 58, tweede lid, onder a van de Pw. Dit betreft een discretionaire bevoegdheid, met beleidsruimte voor verweerder. Dat heeft tot gevolg dat verweerder een deugdelijke belangenafweging moet maken die uit het besluit ook kenbaar moet blijken.
Uit de motivering van het bestreden besluit blijkt echter niet kenbaar van een gemaakte belangenafweging. Een verwijzing naar het eigen beleid volstaat niet. Verweerder heeft de beleidsruimte die deze (discretionaire) bevoegdheid geeft, namelijk niet nader ingevuld. In het beleid van verweerder wordt wel gerefereerd aan die bevoegdheid, maar in de tekst van het beleid staat niet meer dan dat verweerder in volle omvang gebruik maakt van de bevoegdheid zoals vermeld in de wet, behoudens in geval van dringende redenen en die ziet verweerder hier niet.
Dit betekent dat de motivering van het bestreden besluit in zoverre niet deugdelijk is. Niet duidelijk is of en hoe verweerder bij de terugvordering de betrokken belangen heeft meegewogen. Het bestreden besluit is in zoverre genomen in strijd met artikel 7:12 van Pro de Algemene wet bestuursrecht (Awb).”
1.1
In de tussenuitspraak heeft de rechtbank verweerder in de gelegenheid gesteld om binnen acht weken, met inachtneming van de overwegingen en aanwijzingen in de tussenuitspraak, de geconstateerde gebreken in het bestreden besluit te herstellen.
1.2
Verweerder heeft in reactie op de tussenuitspraak een aanvullende motivering ingediend.
1.3
Eiser heeft hierop schriftelijk gereageerd.
1.4
De rechtbank heeft bepaald dat een nadere zitting achterwege blijft.

Overwegingen

1. Voor een weergave van de in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden verwijst de rechtbank naar de tussenuitspraak. Deze uitspraak bouwt voort op de tussenuitspraak.
2.
Nadere motivering door verweerder
3. Verweerder heeft in zijn brief van 11 maart 2024 aangegeven naar de situatie van eiser te hebben gekeken. Een afweging van de nadelige gevolgen van het besluit in verhouding tot het doel daarvan leidt volgens verweerder tot de conclusie dat het besluit tot terugvordering voor eiser geen onevenredige gevolgen heeft. Eiser heeft volgens verweerder geen omstandigheden naar voren heeft gebracht die onderbouwen dat hij door het besluit onevenredig zwaar is getroffen. Een moeilijke financiële situatie op zich en de medische problemen leveren nog geen onevenredige gevolgen op. Daarbij wijst verweerder er ook op dat bij de invordering rekening wordt gehouden met eisers draagkracht.
4.
Zienswijze van eiser
5. Eiser voert, kortgezegd en voor zover hier van belang, aan dat verweerder wel rekening had moeten houden met zijn schuldenpositie en met het feit dat hij vanwege zijn medische situatie voorlopig niet in staat zal zijn (meer) inkomen te verwerven om de schulden af te kunnen lossen. Te voorzien is dat het jaren zal gaan duren voor hij de schulden heeft afgelost. Wanneer hij een bijstandsuitkering houdt kan dat zo maar nog 5 jaar gaan duren. Eiser stelt dat ook dient te worden meegewogen dat de ongewenst verklaring veel eerder had kunnen en moeten zijn opgeheven.
6.
Oordeel van de rechtbank
7. De rechtbank stelt voorop in de tussenuitspraak zonder voorbehoud te hebben geoordeeld dat verweerder bevoegd was de Tozo-uitkering te herzien en terug te vorderen. De beoordeling die de rechtbank hier moet maken beperkt zich tot de vraag of verweerder de bij de terugvordering betrokken belangen nu wel kenbaar (en evenwichtig) heeft afgewogen.
8. De besluitvorming moet voldoen aan het evenredigheidsvereiste. Dat vergt van verweerder een (actieve) beoordeling. De rechtbank stelt vast dat verweerder nader onderzoek heeft gedaan naar de relevante feiten en de af te wegen belangen. Verweerder heeft de schuldenlast en inkomenspositie van eiser in kaart proberen te brengen en aandacht besteed aan eisers individuele omstandigheden.
9. Verweerder licht toe dat het terugvorderingsbesluit hier een geschikt en noodzakelijk middel is om het doel te bereiken, namelijk het bevorderen dat gemeenschapsgeld juist wordt besteed en dat de publieke gelden toekomen aan personen die er daadwerkelijk recht op hebben. De rechtbank volgt verweerder hierin.
10. De rechtbank volgt verweerder ook in zijn standpunt dat de individuele belangen die eiser naar voren heeft gebracht, niet maken dat de terugvordering voor hem onevenredige gevolgen heeft. De door eiser geschetste omstandigheden zijn niet aan te merken als dusdanig bijzondere omstandigheden die na een belangenafweging reden zijn van terugvordering af te zien of de terugvordering te matigen. Financiële problemen leiden over het algemeen niet tot matiging van een terugvordering. Gesteld noch gebleken is dat eiser onder het bestaansminimum dreigt te komen en niet kan voorzien in zijn basisbehoeften bij terugvordering van het teveel uitgekeerde. Verweerder heeft in dit verband aangegeven zo nodig bereid te zijn de invordering verder uit te stellen. Verweerder heeft naar het oordeel van de rechtbank voldoende gemotiveerd dat geen sprake is van bijzondere omstandigheden om van terugvordering af te zien of deze te matigen.
11.
Conclusie en gevolgen
12. Het beroep is dus, gelet op het in de tussenuitspraak geconstateerde gebrek, gegrond, maar de rechtsgevolgen van het bestreden besluit kunnen in stand blijven, omdat verweerder in zijn reactie op de tussenuitspraak het gebrek heeft hersteld. Het besluit tot intrekking en terugvordering van € 3.156,96 wordt dus niet ongedaan gemaakt.
13. Omdat de rechtbank het beroep gegrond verklaart, moet verweerder aan eiser het door hem betaalde griffierecht vergoeden.
14. Omdat het beroep gegrond is, krijgt eiser een vergoeding voor de proceskosten die hij heeft gemaakt. Verweerder moet die vergoeding betalen. De vergoeding wordt met toepassing van het Besluit proceskosten bestuursrecht als volgt berekend. De bijstand door een gemachtigde levert 2,5 punten op (1 punt voor het indienen van het beroepschrift, 1 punt voor het verschijnen op de zitting en 0,5 punt voor het indienen van een schriftelijke zienswijze na een bestuurlijke lus) met een waarde per punt van € 875,00, bij een wegingsfactor 1. Toegekend wordt € 2.187,50.

Beslissing

De rechtbank:
- verklaart het beroep gegrond;
- vernietigt het bestreden besluit;
- bepaalt dat de rechtsgevolgen van het bestreden besluit in stand blijven;
- draagt verweerder op het betaalde griffierecht van € 50,00 aan eiser te vergoeden;
- veroordeelt verweerder in de proceskosten van eiser tot een bedrag van € 2.187,50.
Deze uitspraak is gedaan door mr. M. Jurgens, rechter, in aanwezigheid van mr. H.R.A. Horring, griffier. De uitspraak is uitgesproken in het openbaar op 21 juni 2024.
griffier
rechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Bent u het niet eens met deze uitspraak?

Als u het niet eens bent met deze uitspraak en de tussenuitspraak/tussenuitspraken, kunt u een brief sturen naar de Centrale Raad van Beroep waarin u uitlegt waarom u het er niet mee eens bent. Dit heet een beroepschrift. U moet dit beroepschrift indienen binnen 6 weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. U ziet deze datum hierboven.