Uitspraak
RECHTBANK Noord-Holland
1.De procedure
- de mondelinge behandeling van 21 november 2024, waarvan de griffier aantekeningen heeft gemaakt
- de eis in reconventie.
Rechtbank Noord-Holland
Partijen, voormalig partners en gezamenlijk eigenaar van een woning, sloten op 24 mei 2024 een vaststellingsovereenkomst over de verkoop van de woning. De woning stond sinds februari 2024 leeg en de hypotheekverplichtingen werden niet nagekomen. De overeenkomst bepaalde dat de woning aan de man zou worden toegedeeld indien hij binnen twee maanden kon aantonen dat hij de vrouw uit haar hoofdelijke aansprakelijkheid voor de hypotheek kon ontslaan. Bij gebrek aan financiering zou de woning via een makelaar worden verkocht, waarbij de makelaar de vraag- en laatprijs bindend zou vaststellen.
Op 6 augustus 2024 gaven partijen gezamenlijk opdracht aan de makelaar. De makelaar noteerde een vraagprijs van €350.000 en een opbrengst tussen €350.000 en €360.000, met de man die een verkoopprijs van €355.000 tot €360.000 wenste. Een bod van €360.000, uitgebracht door een neef van de vrouw, werd door de vrouw geaccepteerd, maar de man weigerde dit te accepteren, stellende dat via Funda een hogere prijs behaald kon worden.
De voorzieningenrechter oordeelde dat de man ten onrechte het bod niet heeft aanvaard, nu hij eerder had ingestemd met de vaststelling van de laatprijs door de makelaar en geen onderbouwing gaf voor een hogere prijs via Funda. De verkoopstrategie van de makelaar werd als succesvol beoordeeld. De vordering van de vrouw om vervangende toestemming te verkrijgen voor verkoop en levering van de woning werd toegewezen, evenals haar verzoek om namens de man de verkoop af te ronden. De vorderingen van de man werden afgewezen. Proceskosten werden gecompenseerd, waarbij iedere partij haar eigen kosten draagt.
Uitkomst: De vrouw krijgt vervangende toestemming voor verkoop van de woning tegen de laatprijs en de man wordt veroordeeld mee te werken aan de verkoop.