De rechtbank Noord-Holland behandelde een verzoek tot ondertoezichtstelling en machtiging tot uithuisplaatsing van twee minderjarige broers. De oudere broer, recent veroordeeld tot jeugddetentie, vertoont ernstige gedragsproblemen en een psychische stoornis, waarvoor langdurige intensieve hulp noodzakelijk is. De Raad voor de Kinderbescherming verzocht om ondertoezichtstelling en uithuisplaatsing voor hem, wat door de rechtbank werd toegewezen.
De jongere broer vertoont ook gedragsproblemen en is betrokken bij politiezaken, maar ontvangt vrijwillige hulpverlening via El Caminar en een jeugd- en gezinswerker. De moeder verzet zich tegen ondertoezichtstelling van de jongere broer en de rechtbank achtte dat een ondertoezichtstelling contraproductief zou zijn gezien de bestaande vrijwillige hulp en de houding van de moeder.
De rechtbank concludeerde dat aan de wettelijke criteria voor ondertoezichtstelling en uithuisplaatsing van de oudere broer was voldaan, mede gelet op de strafrechtelijke veroordeling en het persoonlijkheidsonderzoek. Voor de jongere broer werd het verzoek afgewezen omdat de vrijwillige hulpverlening voldoende werd geacht en de moeder haar verantwoordelijkheid neemt.
De beschikking is uitvoerbaar bij voorraad verklaard en kan binnen drie maanden worden aangevochten door de verzoeker en belanghebbenden. De uitspraak werd gedaan door kinderrechter W.P. van der Haak op 21 november 2024.