Eiseres, een zelfstandige rijinstructeur, kreeg een Wazo-uitkering op basis van een dagloon berekend uit haar winst, die lager was dan het minimumloon. Verweerder herzag het dagloon en vorderde terugbetaling van te veel ontvangen uitkering. Eiseres stelde dat de berekening onjuist en onredelijk was en dat het besluit in strijd was met het VN-Vrouwenverdrag.
De rechtbank oordeelde dat eiseres als startende vrouwelijke ondernemer die in beperkte mate winst genereert, recht heeft op een Wazo-uitkering van 100% van het minimumloon. Dit volgt uit artikel 11, tweede lid, van het VN-Vrouwenverdrag dat discriminatie op grond van moederschap moet voorkomen en het recht op arbeid moet waarborgen. De rechtbank verwierp het standpunt van verweerder dat het feit dat de uitkering werd uitbetaald, het beroep op het verdrag zou uitsluiten.
De rechtbank vernietigde het bestreden besluit en het primaire besluit, en bepaalde dat eiseres vanaf 14 juni 2022 gedurende ten minste zestien weken recht heeft op een Wazo-uitkering ter hoogte van het minimumloon. Tevens werd verweerder veroordeeld tot vergoeding van griffierecht en proceskosten.