De rechtbank Noord-Holland heeft op 12 december 2024 uitspraak gedaan in de zaak tegen verdachte die ervan werd verdacht op of omstreeks 20 september 2024 op Schiphol cocaïne binnen het Nederlandse grondgebied te hebben gebracht. De verdachte ontkende opzet en stelde niet op de hoogte te zijn van de cocaïne in zijn scootmobiel. De rechtbank oordeelde echter dat deze verklaring ongeloofwaardig was, mede vanwege inconsistenties en feitelijke onjuistheden in de verklaring van verdachte.
De rechtbank baseerde haar oordeel op het uitgangspunt dat een passagier geacht wordt bekend te zijn met de inhoud van zijn bagage, tenzij bijzondere omstandigheden het tegendeel aannemelijk maken. De aanwezigheid van lijmresten op de accu’s en de onbruikbaarheid van de scootmobiel bij aankomst op Schiphol ondersteunden het oordeel dat verdachte wist van de cocaïne. De hoeveelheid cocaïne van 2016 gram was bestemd voor handel en verdere verspreiding.
De rechtbank achtte de strafbaarheid van verdachte onomstreden en veroordeelde hem tot een gevangenisstraf van 24 maanden, met aftrek van de tijd in voorlopige hechtenis. Tevens werd de scootmobiel verbeurd verklaard omdat deze werd gebruikt bij het plegen van het strafbare feit. De persoonlijke omstandigheden van verdachte, waaronder zijn medische situatie en eerdere veroordelingen, werden meegewogen maar leidden niet tot strafvermindering.