Uitspraak
Rechtbank noord-holland
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 11 december 2024 in de zaak tussen
[eiser] , wonende te [woonplaats] , eiser
de heffingsambtenaar van de gemeente Kennemerland Zuid, verweerder.
Procesverloop
Overwegingen
- verweerder heeft onvoldoende rekening gehouden met de vele (rolstoel)aanpassingen in de woning. Deze aanpassingen zijn niet zomaar terug te draaien en bovendien heeft de woning door de aanpassingen geen achtertuin meer. De doelmatigheid van zowel de opstal als de kavel dient daarom als 2 (onder gemiddeld) te worden gekwalificeerd;
- verweerder heeft onvoldoende rekening gehouden met de gedateerde voorzieningen van de woning, te weten een badkamer van 15 jaar oud en een toilet van 25 jaar oud;
- de onderlinge verschillen in waardebepalende factoren tussen de woning en de vergelijkingsobjecten komen onvoldoende tot uiting in de vastgestelde waarde, en
- de woning is groter dan de vergelijkingsobjecten en verweerder heeft ten aanzien van de prijs per eenheid gebruiksoppervlakte van de woning onvoldoende rekening gehouden met de wet van de afnemende meeropbrengst. Toepassing van de wortelformule zou tot een waarde van € 415.000 leiden;
€ 3.251, € 3.817 en € 3.319. Het op gelijke wijze analyseren van de waarde van de woning heeft geleid tot een waarde per vierkante meter gebruiksoppervlakte van € 3.462. Naar het oordeel van de rechtbank heeft verweerder hiermee voldoende rekening gehouden met de door eiser aangedragen omstandigheden en kan niet worden gezegd dat de waarde van de woning ten opzichte van de verkoopcijfers van de vergelijkingsobjecten op een te hoog bedrag is vastgesteld.
€ 440.000, zijde € 4.000 en dus minder dan 1% lager dan de beschikte waarde van
€ 444.000. De rechtbank is van oordeel dat ook indien het standpunt van eiser over de doelmatigheid gevolgd zou worden, verweerder aan zijn bewijslast heeft voldaan. Een ander oordeel zou een mate van precisie suggereren die een taxatie in het algemeen ontbeert (vgl. Gerechtshof Amsterdam 20 juli 2023, ECLI:NL:GHAMS:2023:2359).
Beslissing
mr. E.M. Mensink, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op
11 december 2024.