Eiser kocht een keuken van gedaagde voor €26.750 inclusief levering en montage. Na plaatsing constateerde eiser gebreken en stelde gedaagde in gebreke. Gedaagde verrichtte herstelwerkzaamheden, maar eiser bleef ontevreden en ontbond de overeenkomst buitengerechtelijk. De rechtbank oordeelt dat eiser niet gerechtigd was om de overeenkomst buitengerechtelijk te ontbinden omdat gedaagde niet in verzuim was.
Ondanks herstelpogingen en correspondentie tussen partijen was nakoming nog mogelijk en ontbinding te vroeg. Ook de subsidiaire vordering tot nakoming wordt afgewezen omdat eiser onvoldoende concreet heeft gemaakt welke gebreken nog openstaan. De vordering tot vergoeding van gevolgschade wordt afgewezen omdat onvoldoende is gesteld dat er daadwerkelijk schade is en gedaagde niet aansprakelijk is.
De tegenvordering van gedaagde tot betaling van het restantbedrag wordt afgewezen omdat eiser niet in verzuim is, mede doordat partijen afwijkende betalingsafspraken hadden. Beide partijen worden veroordeeld in de proceskosten van de wederpartij. Het vonnis is gewezen door mr. M.C. van Rijn en op 18 december 2024 in het openbaar uitgesproken.