Op 22 september 2024 werd verdachte aangehouden op Schiphol met ongeveer anderhalve kilogram cocaïne verborgen in drie blikken en zes potten in zijn ruimbagage. De verdachte verklaarde alleen kennis te hebben gehad van de cocaïne in de blikken, niet in de potten. De rechtbank achtte deze verklaring ongeloofwaardig en concludeerde dat verdachte vol opzet handelde.
De rechtbank stelde vast dat de verdachte opzettelijk een hoeveelheid cocaïne binnen het Nederlandse grondgebied heeft gebracht, wat een strafbaar feit is volgens de Opiumwet. Er waren geen omstandigheden die de strafbaarheid uitsloten.
De officier van justitie eiste 30 maanden gevangenisstraf, terwijl de verdediging pleitte voor een lagere straf op basis van oriëntatiepunten en persoonlijke omstandigheden. De rechtbank nam het strafblad van de verdachte mee als verzwarende omstandigheid en legde een gevangenisstraf van 24 maanden op, met aftrek van de tijd in voorarrest.
De rechtbank benadrukte de schadelijke effecten van harddrugs en de noodzaak van een krachtige bestrijding van invoer en handel. Persoonlijke omstandigheden van de verdachte boden geen grond voor strafvermindering. De straf zal volledig in een penitentiaire inrichting worden uitgevoerd.