Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBNHO:2024:13567

Rechtbank Noord-Holland

Datum uitspraak
24 december 2024
Publicatiedatum
27 december 2024
Zaaknummer
C/15/359826 HA RK 24-180
Instantie
Rechtbank Noord-Holland
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Civiel recht
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Wraking
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 36 Rv
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing wrakingsverzoek rechter wegens ontbreken schijn van partijdigheid

Verzoekster heeft bij de rechtbank Noord-Holland een wrakingsverzoek ingediend tegen de rechter die de hoofdzaak behandelt, omdat zij meent dat de rechter partijdig is. Zij baseert dit op het feit dat de rechter een verzoek tot het houden van een comparitie heeft afgewezen en dat de rechter een financieel belang zou hebben vanwege de relatie met de Staat en bewindvoering van haar moeder.

De wrakingskamer heeft het verzoek behandeld tijdens een openbare zitting waarbij verzoekster en de gemachtigde zijn gehoord. De rechter en de wederpartij hebben van hun hoorrecht geen gebruik gemaakt.

De wrakingskamer overweegt dat het afwijzen van een verzoek tot comparitie een procesbeslissing betreft die op zichzelf geen grond voor wraking kan zijn, ook niet bij gebrek aan motivering. Daarnaast is de stelling dat de rechter een financieel belang heeft niet aannemelijk omdat de positie van een rechter anders is geregeld dan die van een bewindvoerder en de beoordeling in de hoofdzaak de financiële positie van de rechter niet raakt.

De wrakingskamer concludeert dat er geen sprake is van schijn van partijdigheid en wijst het wrakingsverzoek af. Het proces in de hoofdzaak wordt voortgezet in de stand waarin het zich bevond bij indiening van het verzoek.

Uitkomst: Het wrakingsverzoek tegen de rechter wordt afgewezen wegens ontbreken van schijn van partijdigheid.

Uitspraak

beslissing

RECHTBANK NOORD-HOLLAND

Wrakingskamer
zaaknummer / rekestnummer: C/15/359826/HA RK 24/180
Beslissing van 24 december 2024
Op het verzoek tot wraking ingediend door:
[verzoekster] ,
verzoekster,
gemachtigde: dhr. [gemachtigde]
Het verzoek is gericht tegen:
mr. M.W. Koenis,
hierna te noemen: de rechter.

1.Procesverloop

1.1.
Verzoekster heeft op 7 december 2024 schriftelijk de wraking verzocht van de rechter in de bij deze rechtbank, team Handel, Kanton & Insolventie, locatie Haarlem aanhangige zaak met als zaaknummer 11226443 CV EXPL 24-5233, hierna te noemen: de hoofdzaak.
1.2.
De rechter heeft niet in de wraking berust en heeft schriftelijk op het verzoek gereageerd.
1.3.
Het verzoek is vervolgens behandeld ter openbare zitting van de wrakingskamer van 19 december 2024. Verzoekster, de rechter en de wederpartij in de hoofdzaak zijn in de gelegenheid gesteld te worden gehoord. De gemachtigde van verzoekster is verschenen. De rechter en de wederpartij in de hoofdzaak hebben van de geboden gelegenheid geen gebruik gemaakt.

2.Het standpunt van verzoekster

2.1.
Verzoekster heeft ter onderbouwing van het verzoek – samengevat – het volgende aangevoerd. De rechter heeft de schijn van partijdigheid gewekt door, ondanks eerder tijdig kenbaar gemaakte verzoeken, een verzoek om een comparitie te houden te weigeren. Door een comparitie uit te sluiten biedt de rechter een mogelijkheid om een vonnis op leugens en aannames van de wederpartij in de hoofdzaak te rechtvaardigen. Verder heeft de rechter een financieel belang in de hoofdzaak.

3.De beoordeling

3.1.
Ingevolge artikel 36 van Pro het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering kan de rechter die een zaak behandelt op verzoek van een partij worden gewraakt op grond van feiten of omstandigheden waardoor de rechterlijke onpartijdigheid schade zou kunnen lijden. Uitgangspunt bij de beoordeling van een wrakingsverzoek is dat een rechter uit hoofde van zijn aanstelling moet worden vermoed onpartijdig te zijn, tenzij zich uitzonderlijke omstandigheden voordoen die een zwaarwegende aanwijzing vormen dat een rechter ten opzichte van een procespartij vooringenomen is, althans dat de bij die partij daarvoor bestaande vrees objectief gerechtvaardigd is.
De wrakingskamer overweegt het volgende.
3.2.
De beslissing van de rechter om een verzoek tot het houden van een comparitie af te wijzen dient te worden aangemerkt als een procesbeslissing. Die beslissing is niet nader gemotiveerd. Een procesbeslissing kan in beginsel geen grond voor wraking vormen, ook niet als een partij het niet eens is met de beslissing (vergelijk het arrest van de Hoge Raad van 25 september 2018, ECLI:NL:HR:2018:1413). De vraag of een procesbeslissing al dan niet juist moet worden geacht, is niet aan de wrakingskamer om te beoordelen. De motivering van een procesbeslissing kan geen grond vormen voor wraking, ook niet indien wordt aangevoerd dat die motivering onjuist, onbegrijpelijk, gebrekkig of te summier zou zijn of dat een motivering geheel ontbreekt. Dit is uitsluitend anders indien de motivering van de procesbeslissing in het licht van alle omstandigheden van het geval en naar objectieve maatstaven gemeten – bijvoorbeeld door de in de motivering gebezigde bewoordingen – niet anders kan worden verstaan dan als blijk van vooringenomenheid van de rechter die haar heeft gegeven. De wrakingskamer is van oordeel dat hiervan geen sprake is. De rechter heeft zich met zijn beslissing slechts uitgelaten over het verzoek tot het houden van een comparitie en uit zijn afwijzende beslissing op dat verzoek kan niet worden afgeleid dat hij inhoudelijk vooruitgelopen is op zijn (eind)oordeel in de hoofdzaak of anderszins vooringenomen is jegens een van de partijen.
3.3.
Verzoekster heeft zich verder op het standpunt gesteld dat de rechter een financieel belang heeft in de hoofdzaak. Op de zitting heeft verzoekster dit standpunt desgevraagd nader toegelicht. Volgens verzoekster is sprake van een financieel belang omdat 1) de moeder van verzoekster door middel van een rechterlijke beslissing onder bewind is gesteld waarbij een bewindvoerder is benoemd en 2) de bewindvoering via de Staat verloopt en 3) een rechter een werknemer van de Staat is. Daar zit volgens verzoekster, althans zo begrijpt de wrakingskamer, de financiële verstrengeling. Deze onderbouwing kan niet leiden tot de conclusie dat er sprake is van een financieel belang van deze rechter in de hoofdzaak. De positie van een rechter is namelijk op een andere wijze geregeld dan die van een bewindvoerder. De (financiële) positie van de rechter kan door zijn beoordeling in de hoofdzaak daarom niet worden geraakt.
3.4.
Gelet op het voorgaande ziet de wrakingskamer geen aanleiding om aan te nemen dat er sprake is van (schijn van) partijdigheid.
3.5.
De slotsom is dat het verzoek om wraking van de rechter moet worden afgewezen.

4.Beslissing

De rechtbank
4.1.
wijst het verzoek tot wraking van de rechter af,
4.2.
beveelt de griffier onverwijld aan verzoekster, de kantonrechter en de wederpartij in de hoofdzaak een voor eensluidende gewaarmerkt afschrift van deze beslissing toe te zenden,
4.3.
beveelt dat het proces in de hoofdzaak wordt voortgezet in de stand waarin het zich bevond ten tijde van het indienen van het verzoek.
Deze beslissing is gegeven door mr. R.H.M. Bruin, voorzitter, mr. H.P. van der Lelie en
mr. C.S. Schoorl, leden van de wrakingskamer, in tegenwoordigheid van mr. F.L. Zillinger Molenaar, griffier, en in het openbaar uitgesproken op 24 december 2024.
griffier voorzitter
Tegen deze beslissing staat geen rechtsmiddel open.