Verzoeker heeft verzocht om opheffing van het bij beschikking van 1 februari 2012 ingestelde bewind over zijn goederen, stellende dat zijn schulden zijn afgelost en hij een spaarsaldo heeft opgebouwd. Verzoeker is van mening dat hij zijn financiën weer zelfstandig kan beheren en dat opheffing kostenbesparend zal zijn.
De bewindvoerder is het hier niet mee eens en uit zorgen over de financiële toekomst van verzoeker. Zij wijst erop dat de maandelijkse uitgaven hoger zijn dan de inkomsten en dat verzoeker regelmatig extra leefgeld aanvraagt, waarvan een groot deel aan gokken wordt besteed. Daarnaast speelt de bewindvoerder een rol bij het correct regelen van de herberekening van de alimentatie.
De kantonrechter oordeelt dat de noodzaak van het bewind nog steeds bestaat omdat de financiën niet stabiel zijn. Er wordt meer uitgegeven dan er binnenkomt, waardoor het spaarsaldo wordt aangetast. Voordat het bewind kan worden opgeheven, moet verzoeker zijn uitgaven terugbrengen en stoppen met gokken. Tevens moet hij een zelfredzaamheidstraject van circa zes maanden doorlopen waarin hij aantoont dat hij zijn financiën zelfstandig kan beheren zonder nieuwe schulden te maken.
De kantonrechter wijst het verzoek tot opheffing van het bewind af en stelt dat een nieuw verzoek kan worden ingediend zodra aan de voorwaarden is voldaan.