AI samenvatting door Lexboost • Automatisch gegenereerd
Afwijzing vordering zekerheidstelling proceskosten wegens niet-toepassing artikel 224 lid 1 en 477a Rv
In deze incidentprocedure vorderden Modi c.s. dat Intellexit zekerheid zou stellen voor de proceskosten die Intellexit mogelijk zou worden opgelegd in de hoofdzaak. Modi c.s. stelden dat Intellexit, ondanks haar Nederlandse vestiging, gelijkgesteld moest worden aan een eisende partij zonder verhaal, vanwege het ontbreken van jaarrekeningen en mogelijke leegheid van de vennootschap.
De rechtbank oordeelde dat artikel 224 lid 1 RvPro alleen geldt voor eisers zonder woon- of verblijfplaats in Nederland en dat Intellexit statutair en feitelijk in Nederland is gevestigd, waardoor dit artikel niet van toepassing is. De reflexwerking die Modi c.s. bepleitten werd verworpen op grond van jurisprudentie en wetsgeschiedenis.
Voorts werd het beroep op artikel 477a lid 2 Rv verworpen omdat deze bepaling alleen ziet op derde-beslagenen, terwijl Intellexit in de hoofdzaak als schuldenaar wordt aangesproken. Het aangehaalde arrest van het Hof Amsterdam uit 2021 bood geen grond voor een andere beoordeling.
De rechtbank wees de vordering af en veroordeelde Modi c.s. in de kosten van het incident. De zaak wordt aangehouden tot de conclusie van antwoord in de hoofdzaak. Dit vonnis werd uitgesproken door de rechtbank Noord-Holland op 18 december 2024.
Uitkomst: De rechtbank wijst de vordering tot zekerheidstelling proceskosten af en veroordeelt Modi c.s. in de kosten van het incident.
Uitspraak
vonnis
RECHTBANK NOORD-HOLLAND
Handel, Kanton en Insolventie
Zittingsplaats Haarlem
zaaknummer / rolnummer: C/15/353768 / HA ZA 24-338
Vonnis in incident van 18 december 2024
in de zaak van
de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid
INTELLEXIT INVESTMENT MANAGEMENT B.V.,
statutair gevestigd en kantoorhoudende te Amsterdam,
eiseres in de hoofdzaak, verweerster in het incident,
advocaat: mr. L. van Hezik te Amsterdam,
tegen
1. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid
MODI FACILITAIR B.V.,
gevestigd te Kesteren, gemeente Neder-Betuwe,
2. [gedaagde 2],
wonende te [plaats 1], gemeente [gemeente],
3. [gedaagde 3],
wonende te [plaats 2],
gedaagden in de hoofdzaak, eisers in het incident,
advocaat: mr. B.P.J.M.L. Vliexs te Nijmegen.
Partijen zullen hierna Intellexit en Modi c.s. genoemd worden.
1.De procedure
1.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
de dagvaarding van 4 juni 2024 met producties;
de incidentele conclusie tot zekerheidstelling proceskosten van Modi c.s.;
de conclusie van antwoord in het incident met productie 1 van Intellexit;
de akte uitlaten van Modi c.s..
1.2.
Ten slotte is een datum voor vonnis bepaald in het incident.
2.Het geschil in het incident
2.1.
Modi c.s. vorderen dat in het incident dat de rechtbank, bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad:
Intellexit veroordeelt ten gunste van Modi c.s. zekerheid te stelen voor de proceskosten waarin Intellexit veroordeeld zou kunnen worden tot een bedrag van € 11.003,-, door het verstrekken van een onherroepelijke bankgarantie of storting op de derdengeldrekening van de advocaat van Modi c.s.;
bepaalt dat de procedure wordt aangehouden totdat deze zekerheid is gesteld;
met veroordeling van Intellexit in de kosten van het incident.
2.2.
Modi c.s. leggen hieraan ten grondslag dat Intellexit weliswaar woonplaats in Nederland heeft, maar desondanks gelijkgesteld moet worden aan een eisende partij waarop geen verhaal mogelijk is, omdat Intellexit na 2019 geen jaarrekening heeft gedeponeerd en mogelijk sprake is van een ‘lege’ vennootschap. Het doel van de regelingen in artikel 224 lid 1 RvPro en 477a Rv is volgens Modi c.s. het voorkomen dat verhaal van een proceskostenveroordeling wordt bemoeilijk of onmogelijk wordt. Daarom dient aan artikel 224 RvPro reflexwerking te worden toegekend, dan wel moet artikel 477a Rv ook in de onderhavige situatie toepassing vinden. Modi c.s. beroepen zich daarbij op een arrest van het Hof Amsterdam van 14 februari 2021 [1] .
2.3.
Intellexit voert verweer in het incident. Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.
3.De beoordeling in het incident
3.1.
De rechtbank zal de vordering van Modi c.s. in incident afwijzen en licht dat oordeel hieronder toe.
3.2.
In artikel 224 lid 1 RvPro is (zakelijk weergegeven) bepaald dat eisers zonder woonplaats of gewone verblijfplaats in Nederland die bij een Nederlandse rechter een vordering instellen, verplicht zijn op vordering van de gedaagde zekerheid te stellen voor de proceskosten. Uit de Parlementaire Geschiedenis blijkt dat het doel van de regeling is om te voorkomen dat een gedaagde een proceskostenveroordeling tegen een eiser niet ten uitvoer kan leggen omdat die eiser zich niet bevindt in Nederland of een ander land waar een Nederlandse rechterlijke uitspraak kan worden geëxecuteerd. [2] In 2016 heeft de Hoge Raad [3] bevestigd dat artikel 224 lid 1 RvPro alleen van toepassing is op eisers die geen woon- of verblijfplaats in Nederland hebben.
3.3.
Modi c.s. hebben niet weersproken dat Intellexit statutair (en feitelijk) gevestigd is in Amsterdam, zodat vaststaat dat een rechtstreeks beroep op artikel 224 lid 1 RvPro niet mogelijk is. De door Modi c.s. verdedigde reflexwerking van dat artikel (op grond van de stelling dat geen duidelijkheid bestaat over de verhaalsmogelijkheden die Intellexit biedt), is bovendien in strijd met de aangehaalde wetsgeschiedenis en de reeds genoemde jurisprudentie van de Hoge Raad. Het beroep van Modi c.s. op (de reflexwerking van) artikel 224 lid 1 RvPro slaagt dus niet.
3.4.
In artikel 477a (lid 2) Rv is - voor zover hier van belang - bepaald dat indien een derde-beslagene een verklaring heeft afgelegd over de vermogensbestanddelen die door het beslag zijn getroffen, en de executant deze verklaring betwist, de rechter kan bepalen dat de executant zekerheid moet stellen voor de proceskosten waarin hij jegens de derde-beslagene kan worden veroordeeld.
3.5.
Deze situatie doet zich hier niet voor: Intellexit spreekt Modi c.s. niet aan in hun hoedanigheid van derde-beslagenen, maar in hoedanigheid van (gesteld) schuldenaren. Een derdenbeslag is in het geheel niet aan de orde. Artikel 477a (lid 2) Rv is daarom niet van toepassing. Het betoog van Modi c.s. dat artikel 477a Rv wel toepassing zou moeten vinden is verder niet onderbouwd, zodat daaraan voorbij wordt gegaan.
3.6.
Ook het beroep van Modi c.s. op het arrest van het Hof Amsterdam van 14 februari 2021 slaagt niet. In dat arrest werd de (oorspronkelijk) gedaagde als derde-beslagene in een procedure ex artikel 477a Rv geconfronteerd met een executant die curator was in een aantal faillissementen waarvan de boedel negatief was, waarna de vraag werd opgeworpen of de curator (de executant) zekerheid moest stellen op grond van artikel 477a Rv. Die vraag speelt hier niet omdat geen sprake is van een derdenbeslag en aan de toepassing van artikel 477a Rv alleen al daarom niet wordt toegekomen.
3.7.
Of Intellexit voldoende verhaalsmogelijkheden biedt, indien zij wordt veroordeeld om de proceskosten van Modi c.s. te voldoen, kan gelet op het vorenstaande verder in het midden blijven.
3.8.
Modi c.s. zijn in het ongelijk gesteld en moeten daarom de proceskosten (inclusief nakosten) betalen. De proceskosten van Intellexit in het incident worden begroot op:
- salaris advocaat € 614,00 (1 punt × tarief II)
- nakosten € 178,00(plus de verhoging zoals vermeld in de beslissing)
Totaal € 792,00
4.De beslissing
De rechtbank
in het incident
4.1.
wijst het gevorderde af,
4.2.
veroordeelt Modi c.s.. in de kosten van het incident, aan de zijde van Intellexit tot op heden begroot op € 792,00,
in de hoofdzaak
4.3.
bepaalt dat de zaak weer op de rol zal komen van 29 januari 2025voor conclusie van antwoord van Modi c.s.;
4.4.
houdt iedere beslissing aan.
Dit vonnis is gewezen door mr. H.A. Pott Hofstede en in het openbaar uitgesproken op 18 december 2024. [4]