ECLI:NL:RBNHO:2024:13716

Rechtbank Noord-Holland

Datum uitspraak
18 november 2024
Publicatiedatum
6 januari 2025
Zaaknummer
C/15/357813 / JU RK 24-1507
Instantie
Rechtbank Noord-Holland
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - meervoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 10:113 BWArt. 1:265c BWArt. 7 Brussel IIArt. 15 Haags Kinderbeschermingsverdrag 1996
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Verlenging machtiging tot uithuisplaatsing en beoordeling perspectiefbesluit in gezinszaak

De rechtbank Noord-Holland heeft op 18 november 2024 uitspraak gedaan over een verzoek tot verlenging van de machtiging tot uithuisplaatsing van twee minderjarige kinderen, [de minderjarige 1] en [de minderjarige 2]. De kinderen verblijven sinds jonge leeftijd in een pleeggezin vanwege ernstig huiselijk geweld en letsel. De GI verzocht om verlenging van de uithuisplaatsing en wijziging van verblijf naar een voorziening voor pleegzorg.

De rechtbank constateert dat de kinderen nog steeds trauma- en hechtingsproblemen vertonen en dat de ouders niet in staat zijn om sensitief en adequaat op hen te reageren. De kinderen zijn inmiddels geplaatst in een perspectiefbiedend pleeggezin waar zij het goed doen. De machtiging tot uithuisplaatsing wordt daarom verlengd tot het einde van de ondertoezichtstelling.

Ten aanzien van het perspectiefbesluit van de GI, dat het perspectief van de kinderen niet langer bij de ouders ligt, oordeelt de rechtbank dat dit besluit prematuur is. De moeder heeft haar situatie veranderd, ontvangt hulpverlening en werkt aan haar stabiliteit. Er moet nader onderzoek worden gedaan naar haar opvoedvaardigheden en de vraag of terugplaatsing op termijn mogelijk is. De rechtbank onderschrijft het perspectiefbesluit daarom niet en geeft de GI opdracht tot nader onderzoek.

Uitkomst: De machtiging tot uithuisplaatsing van de minderjarige kinderen wordt verlengd en het perspectiefbesluit wordt niet onderschreven vanwege prematuriteit.

Uitspraak

RECHTBANK NOORD-HOLLAND

Familie- en Jeugdrecht
Locatie Haarlem
Zaaknummer: C/15/357813 / JU RK 24-1507
Datum uitspraak: 18 november 2024
Beschikking van de meervoudige kamer over een verlenging machtiging tot uithuisplaatsing
in de zaak van
William Schrikker Stichting Jeugdbescherming en Jeugdreclasseringte Amsterdam,
hierna te noemen: de GI,
over
[de minderjarige 1], geboren op [geboortedatum] in [plaats] ,
hierna te noemen: [de minderjarige 1] ,
[de minderjarige 2], geboren op [geboortedatum] in [plaats] ,
hierna te noemen: [de minderjarige 2] .
De rechtbank merkt als belanghebbenden aan:
[de moeder],
hierna te noemen: de moeder,
wonende in [plaats] ,
advocaat: mr. F. Pool, kantoorhoudende in Rotterdam,
[de vader],
hierna te noemen: de vader,
wonende in [plaats] .

1.Het verloop van de procedure

1.1.
De rechtbank neemt de volgende stukken mee in haar beoordeling:
- het verzoekschrift, met bijlagen, ontvangen op 11 oktober 2024;
- een brief van de GI van 10 oktober 2024, inhoudende het perspectiefbesluit;
- het bericht van de GI, ontvangen op 15 november 2024, inhoudende een mailbericht van De Waag.
1.2.
De mondelinge behandeling met gesloten deuren heeft plaatsgevonden op 18 november 2024. Daarbij waren aanwezig:
- de moeder, bijgestaan door mr. J. Brouwer;
- [vertegenwoordiger van de GI] en [vertegenwoordiger van de GI] als vertegenwoordiger van de GI.
1.3.
De vader, hoewel behoorlijk opgeroepen, is niet op de zitting verschenen.

2.De feiten

2.1.
De ouders zijn belast met het ouderlijk gezag over [de minderjarige 1] en [de minderjarige 2] .
2.2.
De kinderen verblijven in een pleeggezin.
2.3.
De kinderrechter in deze rechtbank heeft de kinderen bij beschikking van 18 december 2023 voorlopig onder toezicht gesteld tot 15 maart 2024. Deze beslissing is bij beschikking van 27 december 2023 gehandhaafd. Vervolgens heeft de kinderrechter de kinderen bij beschikking van 12 maart 2024 onder toezicht gesteld tot 12 maart 2025.
2.4.
Bij beschikking van 18 december 2023 is ook een spoedmachtiging verleend om de kinderen gedurende dag en nacht uit huis te plaatsen in een voorziening voor pleegzorg voor de duur van twee weken. Die beslissing is vervolgens gehandhaafd en telkens verlengd. De machtiging duurt nu nog tot 15 december 2024.
2.5
Op 10 oktober 2024 heeft de GI een perspectiefbesluit genomen, dat aangeeft dat het perspectief van de kinderen niet meer bij de ouders ligt, maar bij het perspectiefbiedend pleeggezin.

3.Het verzoek

3.1.
De GI heeft verzocht de machtiging tot uithuisplaatsing van [de minderjarige 1] en [de minderjarige 2] te verlengen voor de duur van de ondertoezichtstelling, met uitvoerbaarverklaring bij voorraad. In het verzoekschrift heeft de GI verzocht om de plaatsing te verlengen voor verblijf in een accommodatie van een jeugdhulpaanbieder. Ter zitting heeft de GI het verzoek gewijzigd in die zin dat wordt gevraagd de machtiging te verlengen voor een voorziening voor pleegzorg.
3.2.
Als onderbouwing van het verzoek is namens de GI naar voren gebracht dat beide kinderen op zeer jonge leeftijd uit huis geplaatst zijn vanwege fors huiselijk geweld tussen de ouders. De kinderen zijn hier getuige van geweest en er mogelijk ook zelf slachtoffer van geworden. Bij beide jongens was sprake van letsel. Er wordt nog politieonderzoek gedaan naar het letsel bij [de minderjarige 2] .
De kinderen laten veel spanning zien tijdens en na de omgang met de ouders en hebben daarna hersteltijd nodig. Na het bezoek zoekt [de minderjarige 1] meer nabijheid van pleegouders. Hij komt niet of slecht zelfstandig tot spel en hij komt moeilijk in slaap. Dit gedrag laat hij niet of minder zien als geen bezoek plaatsvindt of er langere tijd tussen de bezoeken zit. [de minderjarige 2] heeft na de omgang slapeloze nachten en huilt, waarbij de pleegouders hem moeilijk kunnen troosten. Het is opvallend dat beide kinderen rustiger waren toen er minder bezoeken waren. Levvel Hecht heeft op basis van Video Interactie Begeleiding gericht op gehechtheid geconcludeerd dat er bij de kinderen duidelijke aanwijzingen zijn voor trauma en bij [de minderjarige 1] ook signalen van hechtingsproblemen.
Het lukt de moeder tijdens bezoeken niet sensitief op de kinderen te reageren. Zij kan [de minderjarige 1] niet begrenzen en vindt het moeilijk om bij [de minderjarige 2] aan te sluiten. Ook lukt het haar niet om zich te houden aan de afspraken die zijn gemaakt, bijvoorbeeld over wanneer de kinderen eten en drinken. Zij lijkt in gesprek te begrijpen wat er van haar verwacht wordt, maar het lukt haar niet om dit ook toe te passen.
De GI heeft besloten niet te werken naar terugplaatsing bij de ouders. De kinderen hebben zich goed ontwikkeld in hun crisispleeggezin en zijn op 12 oktober 2024 verhuisd naar een perspectiefbiedend pleeggezin waar zij kunnen blijven. De grootmoeder (m.z.) is gescreend, maar niet geschikt bevonden als pleegouder. Bovendien heeft zij zich als pleegouder teruggetrokken. De GI is van mening dat de kinderen duidelijkheid moeten hebben waar zij kunnen opgroeien en wat de rol van de ouders in hun leven zal zijn.
3.3.
Namens de GI is op de zitting aanvullend naar voren gebracht dat de kinderen moesten wennen in het perspectiefbiedende pleeggezin, maar dat het nu beter gaat.
De GI heeft een perspectiefbesluit genomen, omdat de kinderen zo heftig blijven reageren na het contact met hun ouders. Om die reden is er inmiddels minder omgang dan eerder. Zo mogelijk zal de omgang weer worden uitgebreid.
Omdat in de beschikking van de kinderrechter van 12 maart 2024 is aangegeven dat er snel duidelijkheid moet komen over waar zij zullen opgroeien, heeft de GI zo snel een besluit genomen. Overigens had de GI dit anders ook gedaan vanwege de zeer jonge leeftijd van de kinderen en vooral vanwege hun reacties op de omgang. Desgevraagd is namens de GI aangegeven dat er geen onderzoek heeft plaatsgevonden naar de opvoedvaardigheden van de moeder, ook niet na de gewijzigde omstandigheden.

4.De standpunten

De advocaat van de moeder heeft zich ten aanzien van de verlenging van de uithuisplaatsing gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank. De moeder is het er echter niet mee eens dat de GI nu al een perspectiefbesluit heeft genomen. Het uitgangspunt is immers dat er tijdens een ondertoezichtstelling gewerkt wordt aan terugplaatsing bij de ouders. De GI moet uitgebreid onderzoek doen om te bepalen of de kinderen teruggeplaatst kunnen worden en welke hulp er nodig is. Omdat dit niet is gebeurd, is het perspectiefbesluit voorbarig. Het is voor de moeder nu niet duidelijk wat zij moet doen om terugplaatsing mogelijk te maken. Zij is bereid overal aan mee te werken. Namens de moeder is verzocht om het perspectiefbesluit van de GI nu niet te toetsen en de GI de opdracht te geven om een perspectiefonderzoek uit te voeren.

5.De beoordeling

Rechtsmacht en toepasselijk recht
5.1.
Omdat de moeder de Franse nationaliteit heeft en de vader en de kinderen de Nederlandse, moet eerst de vraag worden beantwoord of de Nederlandse rechter rechtsmacht heeft met betrekking tot het verzoek van de GI. Aangezien de gewone verblijfplaats van de kinderen in Nederland is, komt de Nederlandse rechter op grond van artikel 10:113 van Pro het Burgerlijk Wetboek (hierna: BW) juncto artikel 7 Brussel Pro II ter rechtsmacht toe en kan de rechter een oordeel geven over dit verzoek.
Vervolgens is de vraag aan de orde welk recht op het verzoek van toepassing is. Op grond van artikel 15 van Pro het Haags Kinderbeschermingsverdrag 1996 is het Nederlands recht op het verzoek van toepassing.
Uithuisplaatsing
5.2.
Op basis van de stukken en de mondelinge behandeling is de rechtbank van oordeel dat de verlenging van de machtiging tot uithuisplaatsing van [de minderjarige 1] en [de minderjarige 2] noodzakelijk is in het belang van de verzorging en opvoeding (artikel 1:265c, tweede lid, Burgerlijk Wetboek).
In de thuissituatie zijn de kinderen getuige geweest van veel huiselijk geweld en ruzies tussen hun ouders. De ouders hebben beperkt inzicht in de gevolgen hiervan. Bij beide kinderen was sprake van letsel waarvan onduidelijk is hoe dat is ontstaan, terwijl de ouders hier niet open over zijn (geweest). De ouders waren voor de kinderen geen stabiele opvoeders, die hen beschermden, bij hen aansloten en inspeelden op hun behoeftes. Ook nu is gebleken dat het de ouders niet lukt om sensitief op de kinderen te reageren. Het lukt de moeder niet om [de minderjarige 1] te begrenzen of aan te sluiten bij [de minderjarige 2] . Beide kinderen reageren nog steeds heftig op de omgang met de ouders. De jongens hebben daarna langere tijd nodig om tot rust te komen, zodat er nu minder bezoeken plaatsvinden. Bij allebei de kinderen zijn aanwijzingen voor trauma, en bij [de minderjarige 1] worden ook signalen van hechtingsproblematiek gezien.
De kinderen zijn inmiddels geplaatst in een nieuw, perspectiefbiedend pleeggezin. Hier doen zij het goed en krijgen zij de zorg die zij nodig hebben, zodat de rechtbank van oordeel is dat zij hier op dit moment het beste op hun plek zijn.
Gelet op het voorgaande zal de rechtbank de machtiging tot uithuisplaatsing van beide kinderen in een voorziening voor pleegzorg verlengen voor de duur van de ondertoezichtstelling.
De komende periode zal een Nika-traject met beide ouders worden opgestart om te werken aan een zo veilig mogelijk contact met de kinderen en om meer inzicht te krijgen in de hechting van de kinderen. Daarnaast moet worden onderzocht of de kinderen hulpverlening of behandeling nodig hebben.
Perspectiefbesluit
5.3.
Ten aanzien van het perspectiefbesluit is de rechtbank van oordeel dat dit besluit te vroeg genomen is. De ouders hebben inmiddels hun geregistreerde partnerschap beëindigd, wonen apart en hebben geen contact meer met elkaar. De moeder krijgt inmiddels hulpverlening van De Waag en werkt 24 uur per week in een verzorgingshuis. Zij is op dit moment druk bezig haar eigen leven weer op orde te krijgen. Dit betekent ook dat de opvoedsituatie bij de moeder nu anders is dan aan het begin van de ondertoezichtstelling en uithuisplaatsing. Daarom is het noodzakelijk dat er niet alleen onderzoek wordt gedaan naar wat de kinderen nodig hebben, maar ook naar de (nieuwe) situatie en opvoedvaardigheden van de moeder en de vraag of zij, op termijn, in staat is de kinderen te bieden wat zij nodig hebben. Op basis van de resultaten van dit onderzoek kan de GI eventueel een nieuw perspectiefbesluit nemen. Gelet op het voorgaande zal de rechtbank het huidige perspectiefbesluit niet onderschrijven.

6.De beslissing

De rechtbank:
6.1.
verlengt de machtiging tot uithuisplaatsing van
[de minderjarige 1]en
[de minderjarige 2]in een voorziening voor pleegzorg van 15 december 2024 tot 12 maart 2025;
6.2.
verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad.
Deze beslissing is gegeven en in het openbaar uitgesproken op 18 november 2024 door mr. C.E. Voskens, mr. J. van Beek en mr. M.H. Simons, kinderrechters, in aanwezigheid van mr. T. Alexander als griffier, en op schrift gesteld op 4 december 2024.
Hoger beroep tegen deze beschikking kan worden ingesteld:
  • door de verzoeker en degenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak;
  • door andere belanghebbenden binnen drie maanden na de betekening daarvan of nadat de beschikking aan hen op een andere wijze bekend is geworden.
Het hoger beroep moet, door tussenkomst van een advocaat, worden ingediend bij de griffie van het gerechtshof te Amsterdam.