De passagiers hebben een vervoersovereenkomst gesloten met de vervoerder voor een vlucht van Amsterdam naar Nador op 9 mei 2023, waarbij zij met meer dan drie uur vertraging aankwamen. Zij vorderden compensatie op grond van Verordening (EG) nr. 261/2004, waarbij zij een bedrag van €400 per passagier claimden.
De vervoerder stelde zich op het standpunt dat de vertraging het gevolg was van buitengewone omstandigheden, waardoor hij niet aansprakelijk is voor compensatie. De passagiers betwistten dit onvoldoende door slechts te stellen dat niet is gebleken dat er sprake was van buitengewone omstandigheden.
De kantonrechter oordeelde dat deze betwisting onvoldoende was en dat de vervoerder aannemelijk had gemaakt dat de vertraging ondanks alle redelijke maatregelen niet voorkomen kon worden. Daarom werd de vordering afgewezen en werden de proceskosten aan de passagiers opgelegd.