ECLI:NL:RBNHO:2024:13794

Rechtbank Noord-Holland

Datum uitspraak
11 december 2024
Publicatiedatum
10 januari 2025
Zaaknummer
10847494 \ CV EXPL 23-8251
Instantie
Rechtbank Noord-Holland
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Bodemzaak
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Verordening (EG) nr. 261/2004
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing compensatieclaim passagiers wegens buitengewone omstandigheden bij vluchtvertraging

De passagiers hebben een vervoersovereenkomst gesloten met de vervoerder voor een vlucht van Amsterdam naar Nador op 9 mei 2023, waarbij zij met meer dan drie uur vertraging aankwamen. Zij vorderden compensatie op grond van Verordening (EG) nr. 261/2004, waarbij zij een bedrag van €400 per passagier claimden.

De vervoerder stelde zich op het standpunt dat de vertraging het gevolg was van buitengewone omstandigheden, waardoor hij niet aansprakelijk is voor compensatie. De passagiers betwistten dit onvoldoende door slechts te stellen dat niet is gebleken dat er sprake was van buitengewone omstandigheden.

De kantonrechter oordeelde dat deze betwisting onvoldoende was en dat de vervoerder aannemelijk had gemaakt dat de vertraging ondanks alle redelijke maatregelen niet voorkomen kon worden. Daarom werd de vordering afgewezen en werden de proceskosten aan de passagiers opgelegd.

Uitkomst: De vordering tot compensatie wegens vluchtvertraging wordt afgewezen vanwege het beroep op buitengewone omstandigheden.

Uitspraak

RECHTBANK NOORD-HOLLAND

Handel, Kanton en Insolventie
locatie Haarlem
Zaaknr./rolnr.: 10847494 \ CV EXPL 23-8251
Uitspraakdatum: 11 december 2024
Vonnis van de kantonrechter in de zaak van:

1.[eiser 1], wonende te [plaats 1],

2.
[eiser 2], wonende te [plaats 2],
eisers
hierna gezamenlijk te noemen: de passagiers
gemachtigde: Yource B.V.
tegen
de rechtspersoon naar buitenlands recht
Royal Air Maroc
gevestigd te Casablanca (Marokko)
gedaagde
hierna te noemen: de vervoerder
gemachtigde: mr. T. Teke

1.Het procesverloop

1.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- de dagvaarding:
- de conclusie van antwoord;
- de conclusie van repliek;
- de conclusie van dupliek.
1.2.
Ten slotte is vonnis bepaald.

2.De feiten

2.1.
De passagiers hebben met de vervoerder een vervoersovereenkomst gesloten. Op grond daarvan moest de vervoerder hen op 9 mei 2023 vervoeren van Amsterdam naar Nador (Marokko), met vlucht AT681 (hierna: de vlucht).
2.2.
De passagiers zijn met een vertraging van meer dan drie uur aangekomen op de eindbestemming.

3.Het geschil

3.1.
De passagiers vorderen dat de vervoerder, bij uitvoerbaar bij voorraad te verklaren vonnis, veroordeeld zal worden tot betaling van:
- € 800,00, vermeerderd met de wettelijke rente over dit bedrag vanaf de dag der incident tot aan de dag der algehele voldoening;
- € 145,20 aan buitengerechtelijke incassokosten, te vermeerderen met wettelijke rente;
- de proceskosten en de nakosten.
3.2.
De passagiers baseren hun vordering op de Verordening (EG) nr. 261/2004 (hierna: de Verordening) en de rechtspraak van het Hof van Justitie van de Europese Unie (hierna: het Hof). De passagiers stellen dat de vervoerder hen vanwege de vertraging van de vlucht moet compenseren met een bedrag van € 400,- per passagier (artikel 7 van Pro de Verordening).
3.3.
De vervoerder betwist de vordering. Op zijn verweer wordt bij de beoordeling van het geschil ingegaan.

4.De beoordeling

4.1.
De kantonrechter stelt ambtshalve vast dat hij bevoegd is om van de vordering kennis te nemen.
4.2.
De kantonrechter is van oordeel dat de handtekeningen van de passagiers op de volmachten in voldoende mate overeenkomen met de handtekeningen van de passagiers op hun paspoorten. De kantonrechter vindt het dan ook voldoende aannemelijk dat Yource B.V. gemachtigd is om deze procedure namens de passagiers te voeren. Het niet-ontvankelijkheidsverweer van de vervoerder faalt.
4.3.
De vervoerder heeft een beroep op buitengewone omstandigheden gedaan. De passagiers hebben zich in reactie op dit verweer beperkt tot de stelling dat ‘niet is gebleken dat van buitengewone omstandigheden sprake is geweest’. Naar het oordeel van de kantonrechter kunnen de passagiers daarmee niet volstaan. De conclusie is dan ook dat de passagiers onvoldoende gemotiveerd hebben betwist dat de vertraging op de eindbestemming het gevolg is geweest van buitengewone omstandigheden en dat de vertraging, ondanks het treffen van alle redelijke maatregelen, niet voorkomen had kunnen worden. Daarom wordt de vordering van de passagiers afgewezen.
4.4.
De proceskosten komen voor rekening van de passagiers, omdat zij in het ongelijk worden gesteld.

5.De beslissing

De kantonrechter:
5.1.
wijst de vordering af;
5.2.
veroordeelt de passagiers tot betaling van de proceskosten, die tot en met vandaag voor de vervoerder worden vastgesteld op een bedrag van € 270,- aan salaris van de gemachtigde van de vervoerder;
5.3.
verklaart dit vonnis – voor wat de proceskostenveroordeling betreft – uitvoerbaar bij voorraad.
Dit vonnis is gewezen door mr. S.N. Schipper, kantonrechter en is uitgesproken op de openbare terechtzitting van bovengenoemde datum in aanwezigheid van de griffier.
De griffier De kantonrechter