In deze civiele bodemprocedure vordert eiser betaling van een bedrag van €31.062,24 van gedaagde. Gedaagde verzoekt in een incident om nadere stukken, met name volledige e-mailcorrespondentie uit 2009, die volgens hem relevant is voor de zaak.
Eiser heeft een e-mail uit 2020 overgelegd waarin verwezen wordt naar eerdere e-mails uit mei en juni 2009. Eiser stelt echter dat hij deze oudere e-mails niet meer in bezit heeft en dat het niet onwaarschijnlijk is dat gedaagde deze destijds ook in cc heeft ontvangen. De rechtbank overweegt dat het ontbreken van deze e-mails niet ongebruikelijk is gezien de wettelijke bewaarplicht van zeven jaar.
Gedaagde heeft onvoldoende onderbouwd dat eiser nog over de gevraagde e-mails beschikt. Daarom wijst de rechtbank de vordering tot overlegging af en veroordeelt gedaagde in de kosten van het incident. De hoofdzaak wordt verwezen naar de rol voor verdere behandeling.