Op 4 en 5 maart 2020 werd onder klager een groot contant geldbedrag en later ook zijn banktegoeden en een mobiele telefoon in beslag genomen op grond van verdenking van witwassen. Op 29 september 2022 werd beslag gelegd op zijn koopwoning vanwege vermoedens van valsheid in geschrifte bij de hypotheekverstrekking.
Klager verzocht om opheffing van het beslag op zowel de geldbedragen als de woning. De rechtbank verklaarde het klaagschrift in 2020 ongegrond voor het geld en de telefoon. In het tweede klaagschrift in 2024 stelde klager dat voortzetting van het beslag op de woning disproportioneel is, mede omdat een particuliere geldschieter een nieuwe hypotheek wil vestigen om executoriale verkoop te voorkomen.
De rechtbank oordeelde dat het strafvorderlijk belang voortzetting van het beslag op geld en telefoon rechtvaardigt, maar dat het beslag op de woning tijdelijk kan worden opgeheven om een nieuw hypotheekrecht te vestigen, omdat het persoonlijke belang van klager en zijn gezin zwaarder weegt en het OM na vestiging van de nieuwe hypotheek opnieuw beslag kan leggen.
De rechtbank verklaarde het klaagschrift gegrond voor de woning en ongegrond voor de geldbedragen. Het vonnis is gewezen door rechter P.A. Hesselink en openbaar uitgesproken op 19 december 2024.