Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBNHO:2024:13941

Rechtbank Noord-Holland

Datum uitspraak
18 december 2024
Publicatiedatum
27 januari 2025
Zaaknummer
11205481
Instantie
Rechtbank Noord-Holland
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 6:119a BW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Betaling van ingehouden factuurbedrag wegens niet aannemelijke mondelinge commissieafspraak

De eiser heeft werkzaamheden verricht voor de gedaagde en daarvoor facturen gestuurd. De gedaagde hield op één factuur € 500,00 in, stellende dat er een mondelinge afspraak bestond over een commissie van 20% die de eiser zou moeten betalen. De eiser betwistte deze afspraak.

De rechtbank oordeelde dat het aan de gedaagde was om de afspraak aannemelijk te maken. De overgelegde WhatsApp-berichten en getuigenverklaringen boden onvoldoende bewijs dat de eiser de commissie had erkend of dat er een bindende afspraak was. Bovendien was het ingehouden bedrag lager dan 20% van de factuur, zonder verklaring.

Daarom werd de vordering van de eiser tot betaling van het ingehouden bedrag van € 500,00 met rente en incassokosten toegewezen. Ook werden de proceskosten aan de gedaagde opgelegd. Het vonnis is uitvoerbaar bij voorraad verklaard.

Uitkomst: Gedaagde wordt veroordeeld tot betaling van € 596,64 met rente en kosten wegens onvoldoende aannemelijke commissieafspraak.

Uitspraak

RECHTBANKNOORD-HOLLAND
Civiel recht
Kantonrechter
Zittingsplaats Alkmaar
Zaaknummer: 11205481 \ CV EXPL 24-2330
Vonnis van 18 december 2024
in de zaak van
[eiser] , H.O.D.N. [naam 2],
te [plaats 2] ,
eisende partij,
hierna te noemen: [eiser] ,
gemachtigde: mr. H.J. Smit,
tegen
[gedaagde] , H.O.D.N. [naam 3],
te [plaats 1] ,
gedaagde partij,
hierna te noemen: [gedaagde] ,
procederend in persoon.

1.De procedure

1.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- de dagvaarding
- de conclusie van antwoord
- de conclusie van repliek
- de conclusie van dupliek.
1.2.
Ten slotte is vonnis bepaald.

2.Het geschil

2.1.
[eiser] vordert - samengevat - veroordeling van [gedaagde] tot betaling van € 596,64, vermeerderd met rente en kosten. [eiser] legt aan de vordering ten grondslag dat partijen een overeenkomst hebben gesloten. Op grond daarvan heeft [eiser] voor [gedaagde] werkzaamheden uitgevoerd die zien op het vervoer van personen. [gedaagde] heeft op een factuur ten onrechte € 500,00 ingehouden. [eiser] vordert dit bedrag en maakt daarbij aanspraak op de wettelijke handelsrente en buitengerechtelijke incassokosten.
2.2.
[gedaagde] voert verweer. [gedaagde] concludeert tot afwijzing van de vorderingen van [eiser] . [gedaagde] voert aan dat bij aanvang van de werkzaamheden aan alle betrokkenen is gecommuniceerd dat een commissie van 20 % in rekening wordt gebracht. [eiser] heeft hiermee mondeling ingestemd. [gedaagde] heeft twee getuigen die dit kunnen bevestigen. Daarbij is het akkoord vastgelegd in de groepsapp waarin [eiser] ook expliciet de noodzaak van het rekenen van commissie heeft erkend.
De commissie bedraagt voor [eiser] € 500,00.
2.3.
Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover nodig, nader ingegaan.

3.De beoordeling

3.1.
[eiser] heeft voor [gedaagde] vervoerswerkzaamheden uitgevoerd en daarvoor drie facturen verstuurd aan [gedaagde] . Op een van deze facturen heeft [gedaagde] € 500,00 ingehouden. [gedaagde] beroept zich daarbij op een afspraak dat [eiser] op de ritten die hij voor [gedaagde] rijdt een commissie van 20 % moet betalen. Deze afspraak wordt door [eiser] weersproken.
3.2.
Het is aan [gedaagde] om de gestelde afspraak tussen partijen met feiten en omstandigheden te onderbouwen. Omdat [eiser] deze afspraak heeft betwist, moet [gedaagde] zijn standpunt nader onderbouwen. Daartoe is zijn standpunt dat de commissie is gecommuniceerd aan alle betrokkenen en dat [eiser] daarmee mondeling heeft ingesteld onvoldoende concreet. [gedaagde] heeft verder in de conclusie van dupliek aangevoerd dat het akkoord is vastgelegd in de groepscommunicatie waarin [eiser] ook expliciet de noodzaak van het rekenen van commissie heeft erkend. Ter onderbouwing heeft [gedaagde] een WhatsApp bericht overgelegd. Dit bericht is gestuurd in de Appgroep [naam 1] en daarin staan regels die voor die groep gelden, waaronder ‘Er wordt 20% commissie in rekening gebracht op ritten’. Een datum op dit stuk ontbreek echter. Ook blijkt daaruit niet dat [eiser] deel uitmaakte van deze Appgroep toen dit bericht is verstuurd. Uit dit stuk blijkt ten slotte niet dat [eiser] de noodzaak van het rekenen van een commissie heeft erkend. Met dit stuk heeft [gedaagde] daarom niet onderbouwd dat [eiser] expliciet de noodzaak van de commissie heeft erkend dan wel dat partijen een afspraak hebben gemaakt over een commissie op de ritten van 20 %.
3.3.
Verder kan worden vastgesteld dat de bij [eiser] ingehouden commissie aanzienlijk lager is dan 20 % van de door [eiser] in rekening gebrachte ritten en heeft [gedaagde] daarvoor geen verklaring gegeven. De conclusie is dat [gedaagde] het bestaan van de gestelde afspraak onvoldoende heeft onderbouwd. Voor zover [gedaagde] een bewijsaanbod via getuigenverhoor heeft gedaan, wordt om die reden daaraan voorbij gegaan. Dit leidt tot toewijzing van de gevorderde hoofdsom van € 500,00.
3.4.
De gevorderde wettelijke handelsrente daarover is niet weersproken en zal worden toegewezen.
3.5.
[eiser] vordert vergoeding van buitengerechtelijke incassokosten.
De kantonrechter stelt vast dat [eiser] voldoende heeft gesteld en onderbouwd dat buitengerechtelijke werkzaamheden zijn verricht. De hoogte van de vordering is in overeenstemming met het tarief dat is bepaald in het Besluit vergoeding voor buitengerechtelijke incassokosten. Daarom wordt € 75,00 toegewezen.
3.6.
Uit het voorgaande volgt dat in totaal het volgende bedrag wordt toegewezen:
- hoofdsom
- wettelijke handelsrente tot 25 juni 2024
500,00
21,64
- buitengerechtelijke incassokosten
75,00
+
totaal
596,64
- betalingen
0,00
-/-
Totaal
596,64
3.7.
[gedaagde] is in het ongelijk gesteld en moet daarom de proceskosten (inclusief nakosten) betalen. De proceskosten van [eiser] worden begroot op:
- kosten van de dagvaarding
116,39
- griffierecht
218,00
- salaris gemachtigde
270,00
(2 punten × € 135,00)
- nakosten
67,50
(plus de kosten van betekening zoals vermeld in de beslissing)
Totaal
671,89

4.De beslissing

De kantonrechter
4.1.
veroordeelt [gedaagde] om aan [eiser] te betalen een bedrag van € 596,64, te vermeerderen met de wettelijke handelsrente als bedoeld in artikel 6:119a BW over het toegewezen bedrag, met ingang van 25 juni 2024 tot de dag van volledige betaling,
4.2.
veroordeelt [gedaagde] in de proceskosten van € 671,89, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met de kosten van betekening als [gedaagde] niet tijdig aan de veroordelingen voldoet en het vonnis daarna wordt betekend,
4.3.
verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad.
Dit vonnis is gewezen door mr. D.D.M. Hazeu en in het openbaar uitgesproken op 18 december 2024.