Uitspraak
1.De procedure
2.De feiten
3.Het geschil
4.De beoordeling
5.De beslissing
19 december 2024.
Rechtbank Noord-Holland
De zaak betreft een geschil tussen twee gezamenlijke huurders van een woonruimte, waarbij de relatie tussen hen is beëindigd en één huurder de woning heeft verlaten. De vertrekkende huurder vordert dat zij niet langer gehouden is de huurovereenkomst voort te zetten, terwijl de achterblijvende huurder verweer voert over een huurschuld en achtergebleven spullen.
De kantonrechter stelt vast dat beide partijen gezamenlijk huurder zijn en dat de vertrekkende huurder met een aangifte van verhuizing heeft onderbouwd dat zij de woning op 15 juli 2024 heeft verlaten. De verweren van de achterblijvende huurder betreffen een huurschuld en spullen in de woning, waarover afspraken zijn gemaakt en vastgelegd in een proces-verbaal van schikking.
Op grond van de toepasselijke wettelijke regeling en rechtspraak wordt bepaald dat de huurovereenkomst van de vertrekkende huurder eindigt per 15 juli 2024 en de huurovereenkomst van de achterblijvende huurder wordt voortgezet. De proceskosten worden gecompenseerd, waarbij iedere partij haar eigen kosten draagt. Het vonnis is uitvoerbaar bij voorraad.
Uitkomst: De vordering van de vertrekkende huurder tot beëindiging van haar huurverplichting wordt toegewezen met ingang van 15 juli 2024.