ECLI:NL:RBNHO:2024:13964
Rechtbank Noord-Holland
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Onrechtmatige uitbouw deels op buurperceel vereist verwijdering
Deze civiele zaak betreft een geschil tussen buren over een uitbouw aan de achterzijde van de woning van gedaagde die elf centimeter over de perceelgrens van eiser is gebouwd. Hoewel partijen een overeenkomst sloten over het plaatsen van een muur op de erfgrens, is niet gebleken dat eiser toestemming gaf voor de overschrijding van zijn perceel. De rechtbank concludeert dat deze overbouw onrechtmatig is en dat gedaagde de uitbouw van het perceel van eiser moet verwijderen.
De procedure omvatte onder meer een gerechtelijke plaatsopneming en mondelinge behandeling. Gedaagde stelde dat er een mondelinge afspraak was over de overbouw, maar dit werd door eiser ontkend. De rechtbank benadrukte dat een beperking van eigendomsrechten duidelijk en expliciet moet zijn vastgelegd, wat hier niet het geval was. De schriftelijke overeenkomst vermeldde slechts dat de muur op de erfgrens zou komen, niet dat deze eroverheen zou steken.
Gedaagde voerde aan dat verwijdering onevenredig bezwarend zou zijn en verzocht om een erfdienstbaarheid of eigendomsoverdracht tegen schadeloosstelling. De rechtbank oordeelde dat de kosten van aanpassing (€ 10.000) niet zodanig hoog zijn dat dit beroep slaagt. Ook het beroep op misbruik van recht door eiser werd verworpen. De vorderingen van eiser tot verwijdering werden toegewezen, terwijl de reconventionele vorderingen van gedaagde werden afgewezen.
De rechtbank stelde een termijn van drie maanden voor verwijdering en matigde de dwangsom tot € 500 per dag met een maximum van € 30.000. Proceskosten werden aan gedaagde opgelegd. Het vonnis werd uitvoerbaar bij voorraad verklaard en in het openbaar uitgesproken op 10 april 2024.
Uitkomst: Gedaagde moet de uitbouw binnen drie maanden verwijderen van het perceel van eiser onder dwangsom.