Partijen sloten een aannemingsovereenkomst voor verbouwing van een garage tot appartement. Eiseres stelde dat werkzaamheden niet volledig en niet naar behoren waren uitgevoerd en vorderde vervangende schadevergoeding. Bouwbedrijf de VOF voerde verweer dat vorderingen verjaard waren en dat eiseres nog een bedrag verschuldigd was.
De rechtbank oordeelde dat de vorderingen van eiseres verjaard zijn omdat de laatste ingebrekestelling dateert van 15 juni 2020 en de stuiting van verjaring pas op 15 juni 2023 schriftelijk en ondubbelzinnig plaatsvond. De aanwezigheid van Bouwbedrijf bij inspecties en conceptrapporten was onvoldoende voor stuiting. Hierdoor is eiseres niet-ontvankelijk in haar vorderingen.
In reconventie vorderde Bouwbedrijf betaling van een restant aanneemsom. De rechtbank stelde vast dat de contante betaling van €10.000 reeds in de berekening was verwerkt en kende de resterende €10.627,15 toe. Een verklaring voor recht over aansprakelijkheid van eiseres voor schade door de procedure werd afgewezen wegens onvoldoende onderbouwing.
Eiseres werd veroordeeld tot betaling van het restantbedrag en de proceskosten van de tegenpartij. Het vonnis werd uitgesproken door mr. J.H. Gisolf op 4 december 2024.