Uitspraak
RECHTBANK NOORD-HOLLAND
1.Tenlastelegging
2.Voorvragen
3.Beoordeling van het bewijs
4.Kwalificatie en strafbaarheid van het feit
5.Strafbaarheid van de verdachte
6.Motivering van de sanctie
8.Beslissing
36 (zesendertig) maanden;
Rechtbank Noord-Holland
Op 3 juni 2024 arriveerde verdachte op Schiphol met een vlucht uit de Dominicaanse Republiek. Bij de douane werd in een zwarte koffer, die verdachte had gepakt en teruggelegd, 4.003,3 gram cocaïne aangetroffen onder een losse bodemplaat. De claimtag bij verdachte kwam overeen met het bagagelabel van de koffer.
Verdachte ontkende tijdens verhoren dat de koffer van hem was en gaf wisselende verklaringen over de herkomst. De rechtbank achtte deze verklaringen ongeloofwaardig en concludeerde dat verdachte wist van de cocaïne in de koffer. De rechtbank verklaarde het ten laste gelegde feit bewezen: opzettelijke invoer van cocaïne in Nederland.
De rechtbank oordeelde dat de ernst van het feit een langdurige gevangenisstraf rechtvaardigt. Gezien de hoeveelheid cocaïne en eerdere veroordelingen, maar zonder strafverzwarende factoren, legde de rechtbank een gevangenisstraf van 36 maanden op, met aftrek van de tijd in voorlopige hechtenis. Het verzoek tot opheffing van de voorlopige hechtenis werd afgewezen.
Uitkomst: Verdachte is veroordeeld tot 36 maanden gevangenisstraf voor opzettelijke invoer van 4.003,3 gram cocaïne.