De rechtbank Noord-Holland heeft op 19 december 2024 uitspraak gedaan in een zaak betreffende de ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel. De officier van justitie had een vordering ingediend op grond van artikel 36e lid 3 Sr, aansluitend op een gelijktijdig gewezen vonnis voor medeplegen van witwassen. De vordering betrof een bedrag van oorspronkelijk €237.823,00, later bijgesteld naar €221.543,00.
Tijdens de terechtzitting op 5 december 2024 werden de veroordeelde en zijn raadsman gehoord. De verdediging betwistte onder meer de opname van uitgaven voor de inkoop van hennep in de kasopstelling en verzocht om vermindering van het bedrag met inbeslaggenomen goederen en contant geld. De rechtbank oordeelde dat het bedrag van €150.752,00 voor hennep niet in de kasopstelling mocht worden meegenomen, omdat onvoldoende was gebleken dat deze uitgaven reeds waren gedaan bij aanhouding.
De rechtbank baseerde zich op een kasopstelling over de periode van 1 maart 2015 tot 27 november 2019, waarbij het wederrechtelijk verkregen voordeel werd vastgesteld op €87.071,00. Dit bedrag werd pondspondsgewijs verdeeld tussen de veroordeelde en een medeveroordeelde, waardoor de betalingsverplichting voor de veroordeelde werd vastgesteld op €43.535,50.
Verder wees de rechtbank het verweer af dat het verbeurd verklaarde contante geldbedrag van €21.140,00 in mindering moest worden gebracht op de betalingsverplichting, verwijzend naar vaste rechtspraak. Ook werd vastgesteld dat de redelijke termijn was overschreden, maar dat dit voldoende was gecompenseerd door matiging van de straf in de hoofdzaak.
De rechtbank legde de betalingsverplichting van €43.535,50 op aan de veroordeelde en bepaalde de duur van de gijzeling op 870 dagen voor het geval van niet-betaling.