AI samenvatting door Lexboost • Automatisch gegenereerd
Bezwaar tegen DNA-profielbepaling en verwerking bij veroordeling wegens Opiumwet
De veroordeelde heeft bezwaar gemaakt tegen het bepalen en verwerken van zijn DNA-profiel op grond van artikel 7 vanPro de Wet DNA-onderzoek bij veroordeelden. Hij stelt dat vanwege de aard van het misdrijf en zijn persoonlijke omstandigheden het DNA-onderzoek niet van belang is voor opsporing en vervolging van toekomstige strafbare feiten. De veroordeelde is jong en heeft slechts één soort misdrijf op zijn justitiële documentatie staan, waardoor geen aanleiding bestaat tot het vermoeden van recidive.
De officier van justitie heeft het bezwaar bestreden en benadrukt dat DNA-onderzoek bij dit soort misdrijven nuttig kan zijn voor opsporing, ook al was het niet noodzakelijk in de strafzaak zelf. De rechtbank heeft het bezwaar behandeld in besloten raadkamer, waarbij de veroordeelde niet is verschenen, maar zijn advocaat wel is gehoord.
De rechtbank overweegt dat de uitzonderingen op de verplichting tot DNA-afname, zoals genoemd in artikel 2 vanPro de Wet DNA, niet van toepassing zijn. De veroordeelde is veroordeeld voor een misdrijf tegen de Opiumwet en heeft een eerdere veroordeling, wat wijst op recidive. De jeugdige leeftijd van de veroordeelde leidt niet tot een uitzondering. Ook is het stigmatiserende effect beperkt doordat bij het opgeslagen DNA geen naam wordt genoteerd.
Daarom verklaart de rechtbank het bezwaar ongegrond en bevestigt het bevel tot DNA-afname en verwerking van het DNA-profiel. De beslissing is op 14 februari 2024 in het openbaar uitgesproken door rechter L.J. Saarloos.
Uitkomst: Het bezwaar tegen het bepalen en verwerken van het DNA-profiel is ongegrond verklaard.
Uitspraak
RECHTBANK NOORD-HOLLAND
Strafrecht
Zittingsplaats Alkmaar
parketnummer : 15-211584-23
raadkamernummer : 24-002807
datum : 14 februari 2024
beslissing van de zittingforumuitgeschreven1 op het bezwaar op grond van artikel 7 WetPro DNA-onderzoek bij veroordeelden (Wet DNA) van:
[veroordeelde] ,
[geboortedatum],
voor deze zaak woonplaats kiezend op het kantoor van mr. D.M. Moes,
advocaat te Amsterdam-Duivendrecht
(H.J.E. Wenckebachweg 150D, 1114 AD Amsterdam-Duivendrecht),
hierna te noemen: de veroordeelde.
Procedure
Het bezwaarschrift is op 31 januari 2024 ter griffie van deze rechtbank ontvangen.
De rechtbank heeft op 14 februari 2024 het bezwaar in besloten raadkamer behandeld.
De rechtbank heeft de gemachtigde advocaat van de veroordeelde, mr. R.V.S. Adriaanse (waarnemend voor mr. D.M. Moes) en de officier van justitie op zitting gehoord.
De veroordeelde is, hoewel daartoe goed opgeroepen, niet in raadkamer verschenen.
Bezwaar
Het bezwaar richt zich tegen het bepalen en verwerken van het DNA-profiel van de veroordeelde.
Namens de veroordeelde is in raadkamer naar voren gebracht dat hij stelt dat sprake is van een uitzondering zoals bedoeld in artikel 2, eerste lid, onder b, van de Wet DNA, nu redelijkerwijs aannemelijk is dat het bepalen en verwerken van zijn DNA-profiel gelet op de aard van het misdrijf of de bijzondere omstandigheden waaronder het misdrijf is gepleegd niet van betekenis zal kunnen zijn voor de voorkoming, opsporing, vervolging en berechting van strafbare feiten van de veroordeelde. Daarbij is het van belang dat dit feit de enige is van zijn soort die op de justitiële documentatie van klager geregistreerd staat. Daarom bestaat er geen aanleiding om recidive te vermoeden. Nu er ook geen concrete aanwijzingen bestaan dat een dergelijke gebeurtenis in de toekomst opnieuw zal gebeuren, stelt klager zich op het standpunt dat de verwerking van het DNA niet het doel tot opsporing van toekomstige misdrijven nastreeft.
In de tweede plaats moet de situatie ook bezien worden in het kader van de bijzondere omstandigheden in de persoon van de veroordeelde, onder meer de ingrijpende gevolgen van opname van DNA in de databank.1 Klager is van zeer jonge leeftijd (20 jaar), zodat zijn DNA in geval van opname in de databank voor lange tijd bewaard zal blijven
Standpunt van het Openbaar Ministerie
De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat het bezwaarschrift ongegrond moet worden verklaard. Naar de mening van de officier van justitie kan niet worden aangenomen dat opname van het DNA-materiaal van de veroordeelde, gelet op de feiten waarvoor hij is veroordeeld, niet van belang kan zijn voor de opsporing of voorkoming van strafbare feiten van de veroordeelde. DNA-materiaal kan immers worden achtergelaten op allerhande gegevensdragers waarmee dergelijke feiten worden gepleegd. Het gaat er uitdrukkelijk niet om dat in de strafzaak van de veroordeelde DNA-onderzoek niet nodig was. Er is derhalve geen sprake van een uitzonderingsgrond zoals bedoeld in artikel 2, eerste lid onder a, van de Wet DNA.
Beoordeling
Het bezwaarschrift van veroordeelde tegen het bepalen en verwerken van zijn DNA-profiel, is tijdig ingediend.
Op 17 oktober 2023 heeft veroordeelde een strafbeschikking opgelegd gekregen door de officier van justitie bestaande uit een werkstraf voor de duur van 40 uren, voor het aanwezig hebben van twee stoffen van lijst I ex artikel 10 lid 3 joPro. 2 aanhef onder C Opiumwet, gepleegd op 10 mei 2023.
Het bevel van de officier van justitie tot afname van DNA-materiaal van veroordeelde van
27 november 2023 is gegrond op artikel 2, eerste lid, van de Wet DNA. Veroordeelde heeft op 17 januari 2024 middels afname van wangslijmvlies celmateriaal afgestaan ten behoeve van DNA-onderzoek.
Uitgangspunt van de Wet DNA is dat bij iedere veroordeeldeals bedoeld in artikel 2, eerste lid, van de Wet DNA celmateriaal wordt afgenomen. De officier van justitie is verplicht een daartoe strekkend bevel te geven, tenzij zich één van de in het eerste lid onder a en b genoemde – en volgens de Hoge Raad beperkt uit te leggen – uitzonderingen voordoet.
De uitzonderingsgrond van artikel 2, eerste lid onder a, van de Wet DNA (van de persoon is reeds een DNA-profiel verwerkt) doet zich niet voor.
De rechtbank dient op grond van artikel 2, eerste lid onder b, van de Wet DNA te beoordelen of redelijkerwijs aannemelijk is dat het bepalen en verwerken van het DNA-profiel van veroordeelde, gelet op de aard van het misdrijf of de bijzondere omstandigheden waaronder het misdrijf is gepleegd, niet van betekenis zal kunnenzijn voor de voorkoming, opsporing, vervolging en berechting van strafbare feiten van veroordeelde.
De rechtbank is van oordeel dat in het onderhavige geval de hiervoor genoemde uitzonderingen zich niet voordoen.
Veroordeelde is veroordeeld voor het handelen in strijd met de Opiumwet. Het is bepaald niet ongebruikelijk dat bij de opsporing van dit soort misdrijven DNA-onderzoek een rol speelt. De aard van het misdrijf leidt daarom niet tot de bedoelde uitzondering.
Maar ook de persoon van de veroordeelde geeft daartoe geen aanleiding.
Er is sprake van recidive. Weliswaar niet voor hetzelfde feit, maar veroordeelde is wel eerder met justitie in aanraking gekomen en ook veroordeeld. De jeugdige leeftijd geeft in algemene zin geen aanleiding een uitzondering aan te nemen en in dit geval ook niet. Daarbij merkt de rechtbank op dat de officier van justitie bij de strafbeschikking al in het voordeel van veroordeelde met zijn leeftijd rekening heeft gehouden.
De rechtbank oordeelt daarom dat het bepalen en verwerken van het DNA-profiel van veroordeelde van betekenis zal kunnen zijn voor de voorkoming, opsporing, vervolging en berechting van strafbare feiten van veroordeelde. De rechtbank merkt nog op dat er geen naam genoteerd wordt bij het opgeslagen DNA en dat daarmee de stigmatiserende werking niet aan de orde is.
Het bevel tot DNA-afname bij veroordeelde voldoet aan de daaraan gestelde eisen en de uitzonderingen als bedoeld in artikel 2 vanPro de Wet DNA doen zich hier niet voor. Daarom dient het bezwaarschrift ongegrond te worden verklaard.
Beslissing
De rechtbank verklaart het bezwaar ongegrond.
Deze beslissing is gegeven door
mr. L.J. Saarloos, rechter,
in tegenwoordigheid van mr. E. Saelens, griffier,
en in het openbaar uitgesproken op 14 februari 2024.