Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBNHO:2024:2837

Rechtbank Noord-Holland

Datum uitspraak
20 maart 2024
Publicatiedatum
21 maart 2024
Zaaknummer
C/15/342811 / HA RK 23-117
Instantie
Rechtbank Noord-Holland
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Beschikking
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 199 lid 3 RvArt. 205 lid 2 Rv
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beschikking over verdeling kosten voorlopig deskundigenonderzoek geluidsoverlast

De rechtbank Noord-Holland heeft op verzoek van verzoekster een voorlopig deskundigenonderzoek bevolen naar geluidsoverlast die zij ervaart sinds werkzaamheden in de woning van belanghebbende. De deskundige constateerde tijdens zijn inspectie geen geluidsoverlast en achtte de kans klein dat het geluid afkomstig was van de woning van belanghebbende.

Na ontvangst van het deskundigenrapport en de nota van €1.950,- inclusief btw, diende de rechtbank te beslissen over de verdeling van de kosten. Verzoekster stelde dat de kosten gelijk verdeeld moesten worden, mede omdat vervolgonderzoek door een loodgieter werd geadviseerd. Belanghebbende heeft geen standpunt ingenomen over de kostenverdeling.

De rechtbank oordeelde dat de kosten van het voorlopig deskundigenonderzoek volledig voor rekening van verzoekster komen, omdat het onderzoek geen geluidsoverlast bij belanghebbende had vastgesteld. Eventuele kosten van vervolgonderzoek kunnen later worden verdeeld afhankelijk van de uitkomsten daarvan.

De rechtbank stelde het loon van de deskundige vast op €1.950,- en veroordeelde verzoekster tot betaling van dit bedrag aan de griffier. De beschikking werd in het openbaar uitgesproken op 20 maart 2024 door rechter E.B. de Vries-van den Heuvel.

Uitkomst: Verzoekster wordt veroordeeld tot betaling van de kosten van €1.950 van het voorlopig deskundigenonderzoek.

Uitspraak

beschikking

RECHTBANK NOORD-HOLLAND

Handel, Kanton en Insolventie
Zittingsplaats Haarlem
zaaknummer / rekestnummer: C/15/342811 / HA RK 23-117
Beschikking van 20 maart 2024
in de zaak van
[verzoekster],
wonende te [plaats],
verzoekster,
advocaat mr. A.S. Arts,
en
[belanghebbende],
wonende te [plaats],
belanghebbende,
gemachtigde M.E. Fehrman te Amsterdam.
Partijen zullen hierna [verzoekster] en [belanghebbende] worden genoemd.

1.Het verdere verloop van de procedure

1.1.
Het verloop van de procedure blijkt (voor zover van belang) uit:
  • de beschikking van 18 oktober 2023 en de daaraan ten grondslag liggende stukken
  • de e-mail van mr. Arts aan de rechtbank van 14 november 2023 waarin bezwaar wordt gemaakt tegen (een deel van) de begroting van de deskundige
  • de e-mail van de rechtbank aan mr. Arts van 16 november 2023
  • de e-mail van mr. Arts aan de rechtbank van 17 november 2023
  • het deskundigenrapport en de eindnota van de deskundige van 13 februari 2024
  • de brieven van de griffier aan partijen van 21 respectievelijk 22 februari 2024
  • de brief van mr. Arts van 4 maart 2024.

2.De verdere beoordeling

2.1.
Bij beschikking van 18 oktober 2023 heeft de rechter op verzoek van [verzoekster] een voorlopig deskundigenonderzoek bevolen en M. Ambtman, verbonden aan Keuringsdienst voor Wonen, tot deskundige benoemd. In de beschikking is bepaald dat het door [verzoekster] te betalen voorschot van de deskundige op grond van artikel 199 lid 3 van Pro het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv) door de griffier ten laste van ’s Rijks kas zal worden voorgeschoten en gedurende de procedure in debet zal worden gesteld.
2.2.
Artikel 205 lid 2 Rv Pro bepaalt dat als het voorschot door de griffier is voorgeschoten en in debet is gesteld de rechter na toezending van het deskundigenrapport moet vaststellen wie van partijen welk deel van deze kosten moet dragen. Aangezien het voorlopige deskundigenonderzoek is geëindigd en tussen partijen (nog) geen bodemzaak aanhangig is gemaakt over de vordering waarop het voorlopige deskundigenonderzoek betrekking had, moet nu alsnog over de verdeling van de kosten en betaling daarvan aan de griffier worden beslist.
2.3.
Bij brieven van 21 respectievelijk 22 februari 2024 heeft de griffier het deskundigenrapport en een kopie van de nota van de deskundige ad € 1.950,- inclusief btw aan partijen gezonden en meegedeeld dat zij zich desgewenst binnen twee weken konden uitlaten over de vraag wie de kosten van de deskundige moet dragen.
2.4.
In de brief van 4 maart 2024 heeft de advocaat van [verzoekster] aangegeven dat [verzoekster] vindt dat de kosten in gelijke mate tussen haar en [belanghebbende] moeten worden verdeeld, omdat de deskundige in het rapport heeft geadviseerd een aanvullende inspectie te laten uitvoeren door een erkend loodgieter, welke kosten naar verwachting door [verzoekster] zullen moeten worden gedragen. Dit om specifieker uit te zoeken waar de geluidsoverlast vandaan komt.
2.5. (
De gemachtigde van) [belanghebbende] heeft zich niet over de verdeling van de kosten uitgelaten.
2.6.
De rechterbank stelt vast dat de hoogte van de nota van de deskundige gelijk is aan de eerder door de deskundige ingediende begroting, te weten € 1.950,-. [verzoekster] heeft destijds bij e-mail van 14 november 2023 bezwaar gemaakt tegen (een post op) die begroting. Dat bezwaar betrof de opname van een post “Overleg met beide advocaten” in de begroting terwijl [belanghebbende] (destijds althans) geen advocaat (of gemachtigde) had. De rechtbank heeft partijen daarop bericht dat in de begroting een post overleg met advocaten is opgenomen niet onlogisch of onjuist is. Dat overleg naderhand niet of in een andere vorm blijkt plaats te vinden, maakt niet dat de begroting onjuist is.
2.7.
Uit de reactie van [verzoekster] op de brieven van de griffier van 21 en 22 december 2023 blijkt niet dat [verzoekster] zich op het standpunt stelt dat de eindnota van de deskundige te hoog is. Voor zover de rechtbank dat wel zo moet begrijpen, wordt als volgt overwogen.
Uit de begroting blijkt niet welke bedragen de deskundige voor de verschillende posten heeft gerekend. Vergeleken met de overige in de begroting genoemde posten zal de post “overleg met beide advocaten” qua tijdsbesteding en daarmee ook qua kosten naar het oordeel van de rechtbank echter een minimaal bedrag zijn. De posten “Bouwkundige staat verbouwing”, “Visuele inspectie”, “Lekkage onderzoek” en “Maximaal 1 keer aanpassen rapportage” zullen vanwege de daarmee gemoeide tijd verreweg de grootste kostenposten van de begroting zijn. Of de deskundige uiteindelijk “overleg heeft gehad met beide advocaten” en daarvoor een bedrag in rekening heeft gebracht, is bovendien niet duidelijk, omdat de eindnota niet is gespecificeerd naar verrichte werkzaamheden. Voor zover voor overleg wel een bedrag in rekening is gebracht, zal dit zoals hiervoor overwogen hooguit een klein bedrag zijn. De rechtbank ziet daarom geen aanleiding de hoogte van het aan de deskundige toekomende loon daarvoor te corrigeren. Het loon van de deskundige wordt daarom vastgesteld op € 1.950,-.
2.8.
Wat betreft de vraag wie van partijen welk deel van deze kosten moet dragen, overweegt de rechter het volgende. In het verzoekschrift heeft [verzoekster] gesteld dat zij, sinds er in januari 2022 werkzaamheden hebben plaatsgevonden in en aan de woning van [belanghebbende], ernstige geluidsoverlast ervaart die bestaat uit een zwaar en schrapend geluid. Tijdens de inspectie ter plaatse heeft de deskundige het zware en schrapende geluid dat de reden was voor het onderzoek niet geconstateerd en geen overschrijding van de geldende geluidsnorm/richtlijn vastgesteld. Ook schrijft de deskundige in zijn rapport dat hij de kans dat het geluid dat [verzoekster] hoort afkomstig is van de afvoeren van de na de gerealiseerde uitbouw en berging waar de wasmachine en badruimte/wastafel zich bevinden klein acht. De deskundige adviseert in zijn rapport om een loodgieter de thermostaatkranen en de cv-installaties van beide partijen te laten inspecteren en (daarna) een gespecialiseerd rioolbedrijf in te schakelen om het riool te onderzoeken op discrepanties en het door te spoelen.
2.9.
De deskundige heeft tijdens zijn onderzoek dus geen geluidsoverlast vastgesteld en – uitgaande van geluidsoverlast – niet vastgesteld dat de oorzaak daarvan gelegen is in de woning van [belanghebbende]. [verzoekster] heeft in dit onderzoek dus geen gelijk gekregen. De rechtbank ziet in de uitkomsten van het onderzoek dan ook aanleiding om de kosten van het onderzoek voor rekening van [verzoekster] te laten komen. Dat nader onderzoek bij beide partijen wordt geadviseerd, is geen reden om tot een andere verdeling te komen. Het ligt veel meer voor de hand om – afhankelijk van de uitkomsten daarvan – de kosten van het vervolgonderzoek dat bij beide partijen moet worden uitgevoerd te delen of voor rekening te laten komen van de partij bij wie eventueel een geluidsoverlast veroorzakend probleem wordt geconstateerd.
2.10.
Nu de kosten van het onderzoek voor rekening van [verzoekster] komen, zal zij op grond van artikel 205 lid 2 Rv Pro worden veroordeeld om de uit ’s Rijks kas voorgeschoten kosten van € 1.950,- aan de griffier te betalen.

3.De beslissing

De rechtbank
3.1.
bepaalt dat de deskundige een bedrag van € 1.950,- (inclusief btw) toekomt,
3.2.
stelt vast dat [verzoekster] dit bedrag dient te dragen,
3.3.
veroordeelt [verzoekster] genoemd bedrag van € 1.950,- (inclusief btw) – zijnde de ten laste van ’s Rijks kas voorgeschoten deskundigenkosten – te voldoen aan de griffier van de rechtbank door overmaking van het bedrag onder vermelding van “kosten deskundigenonderzoek [verzoekster]/[belanghebbende]” en het zaak- en C/15/342811 / HA RK 23-117 binnen veertien dagen nadat zij daarvoor een nota van de griffier (via het Landelijk Dienstencentrum van de Rechtspraak, het LDCR) hebben ontvangen,
3.4.
verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad.
Deze beschikking is gegeven door mr. E.B. de Vries-van den Heuvel en in het openbaar uitgesproken op 20 maart 2024. [1]

Voetnoten

1.Conc.: 977