ECLI:NL:RBNHO:2024:3187

Rechtbank Noord-Holland

Datum uitspraak
27 maart 2024
Publicatiedatum
29 maart 2024
Zaaknummer
10303264 \ CV EXPL 23-558
Instantie
Rechtbank Noord-Holland
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Bodemzaak
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Verordening (EG) nr. 261/2004Art. 3 Verordening (EG) nr. 261/2004Art. 2 sub c Verordening (EG) nr. 261/2004
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing vordering passagiers wegens onvoldoende bewijs annulering vlucht volgens EU Verordening

De passagiers vorderden restitutie van ticketprijzen van de vervoerder Emirates wegens vermeende annulering van hun vluchten van en naar Bali. De vervoerder betwistte de vordering en stelde dat de EU Verordening 261/2004 niet van toepassing is op de terugvluchten en dat er geen sprake was van annulering van de heenvluchten.

De kantonrechter oordeelde dat de Verordening niet van toepassing is op de terugvluchten omdat de vervoerder geen communautaire luchtvaartmaatschappij is. Ten aanzien van de heenvluchten stelde de kantonrechter vast dat de passagiers onvoldoende bewijs leverden dat de vervoerder de vluchten daadwerkelijk heeft geannuleerd. De enkele correspondentie was onvoldoende om te concluderen dat er sprake was van een annulering in de zin van de Verordening.

Daarom wees de kantonrechter de vordering af en veroordeelde de passagiers tot betaling van de proceskosten en nakosten. Het vonnis is gewezen door kantonrechter J.J. Dijk en uitgesproken op 27 maart 2024.

Uitkomst: De vordering tot restitutie van ticketprijzen wordt afgewezen wegens onvoldoende bewijs van annulering.

Uitspraak

RECHTBANK NOORD-HOLLAND

Handel, Kanton en Insolventie
locatie Haarlem
Zaaknr./rolnr.: 10303264 \ CV EXPL 23-558
Uitspraakdatum: 27 maart 2024
Vonnis van de kantonrechter in de zaak van:

1.[eiser 1],2. [eiser 2],beiden wonende te [plaats 1],

3. [eiser 3],

4. [eiser 4],beiden wonende te [plaats 2],
eisers
hierna gezamenlijk te noemen: de passagiers
gemachtigde: mr. L.H. Blommers (ARAG SE)
tegen
de vennootschap naar buitenlands recht
Emirates,
gevestigd te Dubai, Verenigde Arabische Emiraten,
gedaagde
hierna te noemen: de vervoerder
gemachtigde: mr. M. Lustenhouwer (AKD)

1.Het procesverloop

1.1.
De passagiers hebben bij dagvaarding van 23 januari 2023 een vordering tegen de vervoerder ingesteld. De vervoerder heeft schriftelijk geantwoord.
1.2.
De passagiers hebben hierop schriftelijk gereageerd, waarna de vervoerder een schriftelijke reactie heeft gegeven.

2.De feiten

2.1.
De passagiers hebben een vervoersovereenkomst gesloten op grond waarvan de vervoerder de passagiers als volgt moest vervoeren:
  • op 28 en 29 januari 2021 van Amsterdam-Schiphol Airport via Dubai (Verenigde Arabische Emiraten) naar Denpasar/Bali (Indonesië), met de vluchtcombinatie EK148 en EK450 (hierna: de heenvluchten), en
  • op 24 februari 2021 van Denpasar/Bali (Indonesië) via Dubai (Verenigde Arabische Emiraten) naar Amsterdam-Schiphol Airport, met de vluchtcombinatie EK399 en EK147 (hierna: de terugvluchten).
2.2.
De passagiers hebben € 3.488,32 betaald aan D-Reizen.
2.3.
D-Reizen heeft de tickets via Airtrade bij de vervoerder geboekt.
2.4.
De passagiers hebben restitutie van de ticketprijzen van de vervoerder gevorderd vanwege annulering.
2.5.
D-Reizen is op 6 april 2021 failliet verklaard.
2.6.
De passagiers hebben op 9 juni 2021 een bedrag van € 780,22 van Airtrade ontvangen.
2.7.
De vervoerder heeft geweigerd tot (verdere) betaling over te gaan.

3.De vordering en het verweer

3.1.
De passagiers vorderen dat de vervoerder bij uitvoerbaar bij voorraad te verklaren vonnis veroordeeld zal worden tot betaling van:
- € 2.708,10, vermeerderd met de wettelijke rente over dit bedrag vanaf 14 januari 2023 tot aan de dag der algehele voldoening;
- € 395,81 aan buitengerechtelijke incassokosten, te vermeerderen met wettelijke rente;
- de proceskosten en de nakosten, te vermeerderen met wettelijke rente.
3.2.
De passagiers hebben aan de vordering ten grondslag gelegd de Verordening (EG) nr. 261/2004 van het Europees Parlement en de Raad van 11 februari 2004 tot vaststelling van gemeenschappelijke regels inzake compensatie en bijstand aan luchtreizigers bij instapweigering en annulering of langdurige vertraging van vluchten en tot intrekking van de verordening (EEG) nr. 295/91 (hierna: de Verordening) en de daarop betrekking hebbende rechtspraak van het Hof van Justitie van de Europese Unie (hierna: het Hof). De passagiers stellen dat de vervoerder gehouden is de ticketprijzen aan hen te restitueren conform artikel 8 van Pro de Verordening tot een bedrag van € 2.708,10.
3.3.
De vervoerder betwist de vordering. Op zijn verweer wordt – voor zover relevant – bij de beoordeling van het geschil ingegaan.

4.De beoordeling

4.1.
De kantonrechter stelt ambtshalve vast dat de Nederlandse rechter in deze zaak bevoegd is om van de vordering kennis te nemen.
4.2.
De vervoerder heeft aangevoerd dat de Verordening niet op de terugvluchten van toepassing is. Dit verweer slaagt. De kantonrechter overweegt hiertoe als volgt. Artikel 3 van Pro de Verordening bepaalt haar werkingssfeer. Artikel 3 lid 1 sub b bepaalt Pro dat de Verordening in beginsel van toepassing is op passagiers die vertrekken vanaf een in een derde land gelegen luchthaven, zoals in dit geval Denpasar/Bali, naar een luchthaven die is gelegen op het grondgebied van een lidstaat, zoals in dit geval Amsterdam-Schiphol Airport. Voorwaarde bij een dergelijke vlucht is blijkens artikel 3 lid 1 sub b echter Pro wel dat de luchtvaartmaatschappij die de vlucht in kwestie uitvoert, een communautaire luchtvaartmaatschappij is. De vervoerder is echter geen communautaire luchtvaartmaatschappij, als bedoeld in artikel 2 sub c van Pro de Verordening, nu zij gevestigd is in de Verenigde Arabische Emiraten en niet in een lidstaat. De Verordening is derhalve niet van toepassing op de terugvluchten. Ten aanzien van de heenvluchten overweegt de kantonrechter verder als volgt.
4.3.
De vervoerder heeft betwist dat hij de heenvluchten heeft geannuleerd. Daartoe heeft hij aangevoerd dat de passagiers hebben nagelaten om enig bewijs van die stelling in het geding te brengen. Het is goed mogelijk dat de passagiers zelf hebben besloten af te zien van de reis vanwege de wereldwijde SARS-CoV-2 pandemie. De passagiers hebben bij conclusie van repliek herhaald dat de heenvluchten door de vervoerder zijn geannuleerd. Daartoe hebben zij verwezen naar de als productie 7 bij de dagvaarding overgelegde correspondentie tussen een van de passagiers en de vervoerder. Hieruit blijkt volgens de passagiers de heenvluchten door de vervoerder is geannuleerd in verband met Covid-19. De vervoerder zou daarnaast niet zijn overgegaan tot het restitueren van de ticketprijs als hij niet zelf de vlucht geannuleerd zou hebben. Ook in de correspondentie tussen de gemachtigde van de passagiers en de vervoerder heeft de vervoerder nimmer betwist dat de heenvluchten door hem geannuleerd zijn, aldus de passagiers.
4.4.
De kantonrechter overweegt dat het aan de passagiers is om te stellen en te bewijzen dat er sprake is van een annulering in de zin van de Verordening. De enkele stelling dat de vervoerder dit in de buitengerechtelijke correspondentie met de passagiers zou hebben erkend, is daartoe onvoldoende. Het had op de weg van de passagiers gelegen om, bijvoorbeeld, een annuleringsbericht over te leggen. De passagiers hebben geen enkele concrete toelichting gegeven omtrent de gang van zaken rondom de annulering van de heenvluchten. De kantonrechter is daarom van oordeel dat de passagiers, tegenover de gemotiveerde betwisting van de vervoerder, onvoldoende hebben onderbouwd dat aan de vereisten voor toepasselijkheid van de Verordening is voldaan, zodat de vordering voor afwijzing gereed ligt. Gelet op het voorgaande behoeven de overige verweren geen bespreking.
4.5.
De proceskosten komen voor rekening van de passagiers, omdat deze in het ongelijk worden gesteld. Ook de nakosten komen voor rekening van de passagiers, voor zover deze kosten daadwerkelijk door de vervoerder worden gemaakt.

5.De beslissing

De kantonrechter:
5.1.
wijst de vordering af;
5.2.
veroordeelt de passagiers tot betaling van de proceskosten, die tot en met vandaag voor de vervoerder worden vastgesteld op een bedrag van € 476,00 aan salaris van de gemachtigde van de vervoerder;
en veroordeelt de passagiers tot betaling van € 119,00 aan nakosten voor zover deze kosten daadwerkelijk door de vervoerder worden gemaakt;
5.3
verklaart dit vonnis – wat de proceskostenveroordeling betreft – uitvoerbaar bij voorraad.
Dit vonnis is gewezen door mr. J.J. Dijk, kantonrechter, en is uitgesproken op de openbare terechtzitting van bovengenoemde datum in aanwezigheid van de griffier.
De griffier De kantonrechter