Op 14 februari 2022 vond een ernstig geweldsincident plaats waarbij de verdachte en het slachtoffer in een worsteling terechtkwamen. De verdachte legde een nek-klem om de hals van het slachtoffer, die daarop overleed. De rechtbank stelde vast dat de dood door samendrukkende kracht op de hals werd veroorzaakt, en verklaarde het ten laste gelegde feit bewezen.
De verdediging voerde noodweer aan, omdat de verdachte door het slachtoffer met een boksbeugel werd aangevallen. Hoewel de rechtbank het bestaan van een wederrechtelijke aanranding erkende en het recht op verdediging bevestigde, oordeelde zij dat de langdurige en strakke nek-klem disproportioneel was en het beroep op noodweer daarom niet slaagde.
De verdediging stelde vervolgens noodweerexces in, waarbij de verdachte door hevige angst en desoriëntatie handelde. De officier van justitie onderschreef dit standpunt. De rechtbank achtte aannemelijk dat de verdachte in een overlevingsmodus verkeerde en daardoor de grenzen van noodzakelijke verdediging overschreed. Daarom werd de verdachte ontslagen van alle rechtsvervolging.
De vorderingen tot schadevergoeding van de benadeelde partijen werden niet-ontvankelijk verklaard omdat geen straf werd opgelegd. De rechtbank benadrukte dat noodweerexces een uitzonderlijke situatie betreft en dat de beslissing voor nabestaanden moeilijk kan zijn, maar dat een strafoplegging in deze omstandigheden onredelijk zou zijn.