Uitspraak
REchtbank noord-holland
uitspraak van de meervoudige douanekamer van 27 maart 2024 in de zaken tussen
[eiseres] B.V., gevestigd te [vestigingsplaats] , eiseres
de inspecteur van de Douane, kantoor Arnhem, verweerder.
Procesverloop
Overwegingen
Deze utb’s hebben betrekking op vier van de zeventien in de in overweging 3 bedoelde aangiften. Achtergrond van deze utb’s is dat uit het onderzoek van OLAF volgt dat de wielen niet de oorsprong Maleisië, maar de oorsprong China zouden hebben.
Bij uitspraak van 12 februari 2018 heeft de rechtbank de onder 6 genoemde beroepen ongegrond verklaard De griffier heeft op grond van artikel 6:15 van Pro de Algemene wet Bestuursrecht (hierna: Awb) het beroep van eiseres voor zover dit ziet op de verzoeken om terugbetaling, op 14 februari 2018 aan verweerder doorgezonden ten einde dit te behandelen als bezwaarschrift tegen de beslissing van verweerder op de verzoeken tot terugbetaling (zie verder de uitspraak van deze rechtbank van 12 februari 2018, ECLI:NL:RBNHO:2018:1500).
In geschil is of verweerder de verzoeken om terugbetaling terecht heeft afgewezen. Meer in het bijzonder is in geschil of sprake is van een bijzondere omstandigheid en of eiseres kennelijke nalatigheid valt te verwijten.
De rechtbank volgt eiseres niet in haar standpunt dat genoemde processtukken tot de op de zaak betrekking hebbende stukken behoren in de nu voorliggende procedures, die gaan over de vraag of aanspraak bestaat op terugbetaling. Het gaat hier immers over de vraag of aanspraak bestaat op terugbetaling om redenen van billijkheid en niet over de wettelijke verschuldigdheid. Eiseres heeft niet voldoende gemotiveerd gesteld dat voornoemde stukken van enig belang kunnen zijn (geweest) voor de besluitvorming in de zaken betreffende de (weigering van) terugbetaling. De rechtbank ziet daarom geen aanleiding gevolgen te verbinden aan het niet overleggen van genoemde stukken (vergelijk de uitspraak van het Gerechtshof Amsterdam van 21 december 2021, ECLI:NL:GHAMS:2021:4287).
De douaneschuld waarvan terugbetaling wordt verzocht is ontstaan in de periode 10 augustus 2011 tot en met 20 november 2012.Op belastbare feiten die zich voor het van toepassing worden van het DWU op 1 mei 2016 hebben voorgedaan, zijn in het algemeen de materiële voorschriften van het CDW van toepassing, terwijl doorgaans de procedurevoorschriften van het DWU van toepassing zijn.
Uit het arrest van het Hof van Justitie van de Europese Unie (hierna: Hof van Justitie) van 7 september 1999, C-61/98, ECLI:EU:C:1999:393, punt 22 en 23, leidt de rechtbank af dat de wettelijke bepalingen inzake terugbetaling - voor zover voor de beslechting van het onderwerpelijke geschil van belang - materiële voorschriften zijn, zodat het CDW van toepassing is en niet het DWU.
Aan de terugbetaling of kwijtschelding kunnen bijzonder voorwaarden worden verbonden.”
8 april 2015 en 29 mei 2015. Eiseres heeft bij brieven van 11 maart 2015, 13 april 2015 en
5 juni 2015 verzoeken om terugbetaling gedaan. Zij heeft deze verzoeken dus snel na uitreiking van de utb’s gedaan, en kon vanaf dat moment haar bewijspositie en rechtspositie veilig stellen. Dat het vervolgens tot april 2022 heeft geduurd voordat de utb’s in rechte vaststonden, hangt samen met de lange duur van de rechtsbeschermingsprocedure maar maakt niet dat het eiseres onmogelijk werd gemaakt om bewijs te vergaren over een eventuele uitzonderlijke positie van haar, die zou nopen tot terugbetaling.
Er kunnen zich bijzondere omstandigheden voordoen die aanleiding geven tot verkorting of verlenging van die termijnen. Als de bezwaar- en beroepsfase samen te lang hebben geduurd, vindt de toerekening als volgt plaats. De bezwaarfase heeft onredelijk lang geduurd voor zover de duur daarvan een half jaar overschrijdt en de beroepsfase voor zover zij meer dan anderhalf jaar in beslag neemt. Als uitgangspunt voor de hoogte van de schadevergoeding hanteert de Hoge Raad een tarief van € 500 per halfjaar dat de redelijke termijn is overschreden, waarbij het totaal van de overschrijding naar boven wordt afgerond.
Beslissing
- verklaart de beroepen ongegrond;
mr. drs. C.M. van Wechem, leden, in aanwezigheid van E. Hoekman, griffier.