De betrokkene, zonder vaste woon- of verblijfplaats in Nederland en gedetineerd in PI Veenhuizen, verzocht om tussentijdse opheffing van zijn ISD-maatregel die loopt tot 13 juli 2024. De rechtbank heeft het verzoek behandeld op 22 maart 2024, waarbij ook de casemanager en de officier van justitie werden gehoord.
Uit het toetsingsverslag en de zitting blijkt dat de intramurale stappen van de ISD-maatregel zijn afgerond, maar dat een stabiel terugkeerplan naar Polen ontbreekt. Contact met de vader van de betrokkene, essentieel voor een geborgde terugkeer, is nog niet tot stand gekomen. De officier van justitie benadrukte dat voortzetting noodzakelijk is voor de beveiliging van de samenleving en het voorkomen van recidive.
De raadsman betoogde dat het ontbreken van een doortimmerd terugkeerplan niet wettelijk vereist is en dat de betrokkene binnen de resterende termijn alsnog kan worden uitgezet. De rechtbank oordeelde echter dat de doelen van de ISD-maatregel nog niet zijn bereikt en dat voortzetting noodzakelijk is om recidive te voorkomen.
De rechtbank besloot daarom het verzoek tot opheffing af te wijzen en de ISD-maatregel te handhaven tot de einddatum van 13 juli 2024.