ECLI:NL:RBNHO:2024:3937

Rechtbank Noord-Holland

Datum uitspraak
27 februari 2024
Publicatiedatum
22 april 2024
Zaaknummer
AWB - 22 _ 6222
Instantie
Rechtbank Noord-Holland
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 25 lid 3 AwrArt. 27e lid 1 Awr
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beroep tegen belastingaanslag en boetebeschikkingen wegens onjuiste aangifte loon en overige inkomsten

Eiser heeft beroep ingesteld tegen aanslagen inkomstenbelasting en premie volksverzekeringen (IB/PVV) en inkomensafhankelijke bijdrage Zorgverzekering (ZVW) over 2019, alsmede tegen opgelegde vergrijpboetes. Verweerder had de aanslagen ambtshalve vastgesteld op basis van informatie van de politie en bankgegevens, waarbij het belastbaar inkomen uit werk en woning (biww) aanzienlijk hoger werd vastgesteld dan door eiser opgegeven.

Eiser voerde aan dat een ontvangen bedrag van € 4.000 geen loon was en dat bepaalde bedragen die hij had doorgestort aan de eigenaar van een verhuurde woning ten onrechte niet waren meegenomen in het resultaat uit overige werkzaamheden. Verweerder stelde dat eiser niet de vereiste aangifte had gedaan, waardoor de bewijslast omkeerde en de aanslag op een redelijke schatting moest berusten.

De rechtbank oordeelde dat eiser inderdaad de vereiste aangifte niet had gedaan, waardoor omkering van de bewijslast van toepassing is. De rechtbank vond dat verweerder terecht het bedrag van € 4.000 als loon heeft aangemerkt en dat het resultaat uit overige werkzaamheden op redelijke wijze was vastgesteld aan de hand van bankstortingen en Airbnb-ontvangsten. Eiser heeft onvoldoende onderbouwd dat de aanslag en uitspraak op bezwaar onjuist zijn.

Daarom werd het beroep ongegrond verklaard. Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd. De uitspraak is gedaan door rechter G.H. de Soeten op 27 februari 2024 te Haarlem.

Uitkomst: Het beroep wordt ongegrond verklaard omdat eiser de vereiste aangifte niet heeft gedaan en de aanslag terecht is vastgesteld.

Uitspraak

Rechtbank noord-holland

Zittingsplaats Haarlem
Bestuursrecht
zaaknummers: HAA 22/6222 en HAA 22/6223

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 27 februari 2024 in de zaken tussen

[eiser] , wonende te [plaats 1] , eiser

(gemachtigde: mr. P.K. de Blieck-Willemsen)
en

de inspecteur van de Belastingdienst, kantoor Amsterdam, verweerder.

Procesverloop

Verweerder heeft aan eiser voor het jaar 2019 aanslagen inkomstenbelasting en premie volksverzekeringen (IB/PVV) en inkomensafhankelijke bijdrage Zorgverzekering (ZVW) opgelegd. De aanslag IB/PVV is berekend naar een belastbaar inkomen uit werk en woning (biww) van € 53.460. Met deze aanslag is € 2.144 loonheffing verrekend en bij de aanslag is bij beschikking een vergrijpboete opgelegd van € 7.458. De aanslag ZVW is berekend naar een bijdrage-inkomen van € 25.510 en bij deze aanslag is bij beschikking een vergrijpboete opgelegd van € 727.
Verweerder heeft bij uitspraak op bezwaar de beide boetebeschikkingen vernietigd, de aanslag IB/PVV verminderd tot een, berekend naar een biww van € 46.627, de met die aanslag te verrekenen loonheffing nader vastgesteld op € 6.182 en de aanslag ZVW gehandhaafd.
Eiser heeft daartegen beroep ingesteld.
Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 31 januari 2024 te Haarlem.
Eiser is verschenen met zijn gemachtigde. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. [naam 1] en mr. [naam 2] .
Ter zitting heeft tevens de mondelinge behandeling plaatsgevonden van de beroepen van eiser met de zaaknummers HAA 23/5684 en HAA 23/5685. Al hetgeen in die zaken is aangevoerd en overgelegd wordt ook geacht te zijn aangevoerd en overgelegd in deze zaken.

Overwegingen

Feiten
1. Op 31 maart 2020 heeft eiser de aangifte IB/PVV voor het jaar 2019 ingediend en daarin een biww aangegeven van € 5.443 negatief, dat bestaat uit loon uit dienstbetrekking van € 5.850 en inkomsten uit eigen woning van per saldo € 11.293 negatief. Op die datum heeft eiser ook de aangifte ZVW ingediend en daarin een bijdrage-inkomen aangegeven van nihil.
2. Verweerder heeft aan eiser vragen gesteld over de aangifte en daarop hebben partijen uitvoerig met elkaar gecommuniceerd. Op 16 december 2020 heeft eiser een herziene aangifte ingediend en daarin een biww aangegeven van € 5.850 dat geheel bestaat uit het loon uit dienstbetrekking.
3. Per brief van 13 januari 2021 heeft verweerder eiser meegedeeld dat hij voornemens was van de aangifte af te wijken. Verweerder stelde onder meer dat hij op grond van informatie van de politie en na analyse van de bankrekening van eiser tot de conclusie was gekomen dat eiser in 2019 € 27.950 aan loon had genoten en € 59.280 aan resultaat uit overig werk. Verder stelde verweerder dat eiser niet stond ingeschreven op het adres van de woning ter zake waarvan eiser negatieve inkomsten had aangegeven en die woning daarom niet kwalificeerde als eigen woning en de negatieve inkomsten daarom niet in aanmerking zouden worden genomen. Het biww zou daarom worden vastgesteld op € 87.230 (€ 27.950 + € 59.280). Verder deelde verweerder mee dat hij voornemens was eiser vergrijpboeten op te leggen.
4. Per brief van 2 maart 2021 heeft eiser gereageerd op de brief van verweerder van 13 januari 2021. Eiser stelde onder meer dat hij zich niet verzette tegen de correctie op het loon uit dienstbetrekking, dat met verhuur van een woning via Airbnb een verlies was geleden van € 5.080 en met werkzaamheden in de vorm van verhuur en training een resultaat was behaald van € 7.180. Verder stelde eiser dat de woning in [plaats 2] was aangeschaft als eigen woning, maar de woning bij oplevering nog niet gebruiksklaar was en dat de boeten ten onrechte waren opgelegd. Volgens eiser moest het biww worden vastgesteld op € 30.410, als volgt gespecificeerd:
aangegeven inkomsten uit loondienst € 5.417
nog aan te geven inkomsten uit loondienst - 22.533
inkomsten uit Airbnb -/- - 5.080
inkomsten uit overig werk (verhuur/training)
- 7.180
€ 30.410
5. Met dagtekening 6 augustus 2021 heeft verweerder eiser de onderhavige aanslagen opgelegd en de boetebeschikkingen gegeven. De aanslag IB/PVV is berekend naar een biww van € 53.460, bestaande uit € 27.950 loon uit dienstbetrekking en € 25.510 resultaat uit overige werkzaamheden. Met de aanslag is € 2.144 loonheffing verrekend. De aanslag ZVW is berekend naar een bijdrage-inkomen van € 25.510.
6. Eiser heeft tegen de aanslagen en de boetebeschikkingen bezwaar gemaakt. Het bezwaarschrift is gedagtekend 16 september 2021 en is op 22 september 2021 bij verweerder ontvangen. Per brief, die is gedagtekend 16 september 2021 en op 27 oktober 2022 bij verweerder is ontvangen, heeft eiser het bezwaar gemotiveerd. Op 29 maart 2022 is eiser door verweerder gehoord. Van het horen is een verslag opgemaakt dat in kopie tot de gedingstukken behoort. De definitieve versie van dit verslag is op 5 april 2022 aan eiser gestuurd en eiser is met dit verslag akkoord gegaan.
7. Per brief van 13 april 2022 heeft verweerder eiser meegedeeld dat hij voornemens was uitspraak op het bezwaar te doen. Verweerder deelde mee dat voor een deel aan het bezwaar zou worden tegemoetgekomen. De inkomsten uit dienstbetrekking zouden voor € 21.117 in aanmerking worden genomen, maar voor het overige zou het bezwaar ongegrond worden verklaard
8. Bij uitspraak op bezwaar van 7 oktober 2022 heeft verweerder de beide boetebeschikkingen vernietigd, de aanslag ZVW gehandhaafd, de aanslag IB/PVV verminderd tot een, berekend naar een biww van € 46.627 (€ 21.117 + € 25.510) en de met die aanslag te verrekenen loonheffing nader vastgesteld op € 6.182.
9. Per brief van 25 oktober 2022, bij de rechtbank ontvangen op 28 oktober 2022, heeft eiser beroep ingesteld.

Geschil10. In geschil is of het loon uit dienstbetrekking en het resultaat uit overige werkzaamheden voor de juiste bedragen in aanmerking zijn genomen.

11. Eiser stelt zich op het standpunt dat het bedrag van € 4.000, dat hij eind 2019 van zijn werkgever heeft ontvangen, geen loon is. Verder stelt eiser dat verweerder bij het vaststellen van het resultaat uit overige werkzaamheden ten onrechte geen rekening heeft gehouden met de bedragen van in totaal € 11.600 die zijn doorgestort naar de eigenaar van de verhuurde woning.
12. Eiser concludeert tot gegrondverklaring van het beroep, tot vernietiging van de uitspraak op bezwaar en, naar de rechtbank begrijpt, tot vermindering van de aanslag IB/PVV tot een, berekend naar een biww van € 31.027 (€ 46.627 -/- € 4.000 -/- € 11.600).
13. Verweerder stelt zich op het standpunt dat het biww eerder op een te laag dan een te hoog bedrag is vastgesteld en heeft daarvoor – zakelijk weergegeven – aangevoerd dat eiser de vereiste aangifte niet heeft gedaan en daarom omkering van de bewijslast geldt. Op basis van de informatie van de politie en de stortingen op de bankrekening van eiser dient volgens verweerder het loon uit dienstbetrekking te worden bepaald op € 24.904. Verder stelt verweerder dat eiser in 2019 twee woningen huurde en het daarom aannemelijk is dat eiser gedurende het gehele jaar 2019 huurinkomsten heeft genoten. Rekening houdend met de door eiser betaalde huur, stelt verweerder zich op het standpunt dat het resultaat uit overige werkzaamheden moet worden bepaald op € 31.529. Het voorgaande zou resulteren in een bedrag aan verschuldigde IB/PVV van € 18.524. Na verrekening van € 9.970 loonheffing resteert dan een te betalen bedrag van € 8.554. Omdat de uitspraak op bezwaar resulteerde in een te betalen bedrag van € 7.513, concludeert verweerder, met een beroep op interne compensatie, dat de aanslag eerder te laag dan te hoog is.
14. Verweerder concludeert tot ongegrondverklaring van het beroep.
Beoordeling van het geschil
15. Indien de vereiste aangifte niet is gedaan wordt op grond van artikel 25, derde lid, van de Algemene wet inzake rijksbelastingen (Awr) bij uitspraak op bezwaar de belastingaanslag gehandhaafd, tenzij blijkt dat en in hoeverre de aanslag onjuist is en wordt op grond van artikel 27e, eerste lid, van de Awr, een daartegen ingesteld beroep ongegrond verklaard tenzij blijkt dat en in hoeverre de uitspraak op bezwaar onjuist is (hierna: omkering van de bewijslast).
16. Op grond van de in 1 tot en met 4 weergegeven feiten, waaruit volgt dat ook volgens eiser de volgens de door hem gedane aangifte verschuldigde belasting zowel in absolute als relatieve zin aanzienlijk afwijkt van de verschuldigde belasting, is de rechtbank van oordeel dat eiser de vereiste aangifte niet heeft gedaan, zodat omkering van de bewijslast geldt.
17. Het vorenstaande doet er niet aan af dat de hoogte van de aanslag, omdat die grotendeels ambtshalve is vastgesteld, moet berusten op een redelijke schatting. De rechtbank overweegt daartoe dat al hetgeen uit dienstbetrekking wordt genoten behoort tot het belastbare loon. Eiser heeft eind 2019 nog een vergoeding of tegemoetkoming ontvangen van € 4.000. De reden daarvoor is in dit geding niet geheel duidelijk geworden, maar naar eiser ter zitting heeft verklaard ontving hij dit bedrag van zijn voormalige werkgever. Naar het oordeel van de rechtbank heeft verweerder, bij gebrek aan verdere gegevens, daarom terecht aangenomen dat deze tegemoetkoming is genoten uit de indertijd bestaande dienstbetrekking en daarom tot het loon behoort. Verder is de rechtbank van oordeel dat verweerder de inkomsten uit overige werkzaamheden aan de hand van de stortingen op de bankrekeningen van eiser in redelijkheid heeft kunnen bepalen op € 31.529. Eiser heeft erkend dat hij woningen huurt en doorverhuurt. Er is in 2019 sprake van een bedrag van € 52.910 aan contante stortingen op de bankrekening van eiser, en daarnaast is door eiser een bedrag van € 9.603 van Airbnb ontvangen. Bij het bepalen van het inkomen heeft verweerder rekening gehouden met de bedragen (€ 30.983) die door eiser zijn doorgestort naar de eigenaren van de desbetreffende woningen. Ook heeft verweerder met hetgeen daartoe is vermeld in 13, aannemelijk gemaakt dat het op de aanslag te betalen bedrag veeleer te laag dan te hoog is vastgesteld. Met hetgeen eiser heeft aangevoerd heeft hij niet doen blijken dat en in hoeverre de aanslag en de uitspraak op bezwaar onjuist zijn.
18. Gelet op het vorenstaande dient het beroep ongegrond te worden verklaard.
Proceskosten
19. Voor een proceskostenveroordeling is geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. G.H. de Soeten, rechter, in aanwezigheid van
H. van Lingen, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 27 februari 2024.
griffier rechter
Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kunnen partijen binnen zes weken na de verzenddatum hoger beroep instellen bij het gerechtshof Amsterdam (belastingkamer).
U kunt digitaal beroep instellen via www.rechtspraak.nl. Daar klikt u op “Formulieren en inloggen”. Hoger beroep instellen kan eventueel ook nog steeds door verzending van een brief aan het gerechtshof Amsterdam (belastingkamer), Postbus 1312, 1000 BH Amsterdam.
Bij het instellen van hoger beroep dient het volgende in acht te worden genomen:
bij het hogerberoepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd.
het hogerberoepschrift moet, indien het op papier wordt ingediend, ondertekend zijn. Verder moet het ten minste het volgende vermelden:
de naam en het adres van de indiener;
de datum van verzending;
een omschrijving van de uitspraak waartegen het hoger beroep is ingesteld;
e redenen waarom u het niet eens bent met de uitspraak (de gronden van het hoger beroep).