Eiser heeft beroep ingesteld tegen aanslagen inkomstenbelasting en premie volksverzekeringen (IB/PVV) en inkomensafhankelijke bijdrage Zorgverzekering (ZVW) over 2019, alsmede tegen opgelegde vergrijpboetes. Verweerder had de aanslagen ambtshalve vastgesteld op basis van informatie van de politie en bankgegevens, waarbij het belastbaar inkomen uit werk en woning (biww) aanzienlijk hoger werd vastgesteld dan door eiser opgegeven.
Eiser voerde aan dat een ontvangen bedrag van € 4.000 geen loon was en dat bepaalde bedragen die hij had doorgestort aan de eigenaar van een verhuurde woning ten onrechte niet waren meegenomen in het resultaat uit overige werkzaamheden. Verweerder stelde dat eiser niet de vereiste aangifte had gedaan, waardoor de bewijslast omkeerde en de aanslag op een redelijke schatting moest berusten.
De rechtbank oordeelde dat eiser inderdaad de vereiste aangifte niet had gedaan, waardoor omkering van de bewijslast van toepassing is. De rechtbank vond dat verweerder terecht het bedrag van € 4.000 als loon heeft aangemerkt en dat het resultaat uit overige werkzaamheden op redelijke wijze was vastgesteld aan de hand van bankstortingen en Airbnb-ontvangsten. Eiser heeft onvoldoende onderbouwd dat de aanslag en uitspraak op bezwaar onjuist zijn.
Daarom werd het beroep ongegrond verklaard. Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd. De uitspraak is gedaan door rechter G.H. de Soeten op 27 februari 2024 te Haarlem.