De rechtbank Noord-Holland behandelde op 26 april 2024 het beroep van eiseres tegen de vastgestelde WOZ-waarde van haar woning in Haarlem voor het kalenderjaar 2022. Verweerder had de waarde vastgesteld op €821.000, hetgeen eiseres betwistte en een lagere waarde van €667.000 voorstelde.
Eiseres stelde dat verweerder niet alle relevante stukken, zoals iWOZ-kaarten, taxatieverslag en bouwtekeningen, had overgelegd en dat de uitspraak op bezwaar onvoldoende was gemotiveerd. Verweerder voerde aan dat de vergelijkingsobjecten in de waardematrix voldoende vergelijkbaar waren en dat de waarde correct was vastgesteld.
De rechtbank oordeelde dat verweerder aannemelijk had gemaakt dat de waarde niet te hoog was vastgesteld, dat de gevraagde aanvullende stukken niet zonder meer behoorden tot de zaakstukken en dat eiseres onvoldoende gemotiveerd had betwist dat de objectkenmerken juist waren verwerkt. Ook werd geoordeeld dat de motivering van de uitspraak op bezwaar toereikend was en dat de gehanteerde indexeringspercentages inzichtelijk waren. Het beroep werd daarom ongegrond verklaard.