De rechtbank Noord-Holland behandelde op 29 april 2024 de ontnemingsvordering van de officier van justitie tegen verdachte, die eerder veroordeeld was voor diefstal van 859,9 Monero ter waarde van circa €218.000 van een slachtoffer. De ontnemingsvordering betrof het bedrag van €141.144,80, berekend als wederrechtelijk verkregen voordeel na aftrek van gemaakte kosten.
Tijdens de zitting op 11 en 15 april 2024 werd verdachte gehoord, evenals zijn raadsman en de officier van justitie. De raadsman stelde dat de vordering afgewezen moest worden vanwege een in de strafzaak bepleite vrijspraak, maar betwistte de vordering inhoudelijk niet. De rechtbank achtte de berekening van het wederrechtelijk verkregen voordeel zoals opgenomen in de ontnemingsrapportage deugdelijk en voldoende onderbouwd.
De rechtbank stelde vast dat verdachte wederrechtelijk voordeel heeft verkregen door de diefstal van cryptovaluta, waarbij hij met een valse sleutel toegang kreeg tot de Kucoin-app van het slachtoffer. De rechtbank legde aan verdachte de verplichting op tot betaling van het bedrag van €141.144,80 aan de Staat en bepaalde de maximale gijzelingstermijn op 1080 dagen. Er was geen aanleiding om het bedrag te verlagen vanwege onvoldoende draagkracht of andere omstandigheden.