Het Openbaar Ministerie heeft op 14 maart 2024 een vordering tot ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel ingediend ten bedrage van €15.228,31 tegen de verdachte. Deze vordering was gebaseerd op strafbare feiten waarvoor de medeverdachte werd gedagvaard voor de meervoudige strafkamer.
Tijdens de terechtzittingen op 11 en 15 april 2024 heeft de rechtbank de verdachte en zijn raadsvrouw gehoord. De officier van justitie heeft ter zitting aangegeven de vordering niet te bespreken vanwege de vrijspraak die in de strafzaak werd bepleit. De verdediging heeft betoogd dat de vordering moet worden afgewezen gezien de vrijspraak en de onduidelijkheid over het voordeel.
De rechtbank heeft geoordeeld dat bij het ontbreken van een veroordeling wegens een strafbaar feit, het Openbaar Ministerie niet ontvankelijk is in de vordering tot ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel. Daarom is het Openbaar Ministerie niet-ontvankelijk verklaard in deze vordering.