Uitspraak
RECHTBANK NOORD-HOLLAND
1.1. [verzoeker 1]
2.[verzoeker 2] ,
Daarnaast dient volgens verweerder te worden verduidelijkt dat de omgevingsvergunning is verleend onder toepassing van artikel 3, tweede lid, van de beleidsregels kruimelgevallen.
Verweerder heeft voorts nader toegelicht dat de verwijzing naar de WMO-indicatie in samenhang gelezen moet worden met de toelichting van de echtgenote van de vergunninghouder en de omstandigheid dat de zoon van vergunninghouder dezelfde beperking heeft als zijn moeder en ook een voertuig (rolstoel) onder de overkapping moet stallen. Dat is de reden geweest om medewerking te verlenen aan de gevraagde omgevingsvergunning.
Het belang van de vergunninghouder acht verweerder zwaarwegender dan het algemeen belang dat is gediend met het door verzoekers aangehaalde belang bij gelijkmatige uitstaling van de voorerven en het (gestelde) individuele belang van verzoekers bij het voorkomen van beperking van uitzicht uit en zon- en daglichttoetreding in hun voortuinen, aldus verweerder.
Ingevolge artikel 6g, tweede lid, aanhef en onder a, van het Besluit uitvoering Crisis- en herstelwet gold in de gemeente Haarlemmermeer de eis van artikel 2.10, eerste lid, onder a, Wabo (toetsing aan het Bouwbesluit), bij een aanvraag om een omgevingsvergunning voor een activiteit als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, onder a, Wabo (bouwen) niet als het gaat om een op de grond staand bijbehorend bouwwerk als bedoeld in artikel 1, eerste lid, van Bijlage II bij het Bor, mits niet hoger dan 5 meter. Het bouwplan van de vergunninghouder voldoet aan die voorwaarden. Dat betekent dat bouw- en constructie-eisen, zoals eisen in verband met brandveiligheid, voor verweerder geen grond kunnen vormen om de omgevingsvergunning voor de overkapping te weigeren. Deze grond voor het bezwaar maakt daarom het bezwaar (ook) niet kansrijk.