De zaak betreft een verzoek van de gecertificeerde instelling (GI) tot verlenging van de machtiging tot uithuisplaatsing van een minderjarige in een netwerkpleeggezin bij de oma en halfzus. De minderjarige is onder toezicht gesteld tot 4 oktober 2024 en verblijft sinds enige tijd bij de oma en halfzus. De moeder verzet zich tegen de machtiging, maar staat wel achter het verblijf bij de familieleden en volgt therapie om de zorg weer op zich te kunnen nemen.
De kinderrechter constateert dat de doelen met betrekking tot de opvoedsituatie bij de moeder nog niet zijn behaald en dat de moeder onvoldoende motivatie toont om veranderingen te realiseren. De veiligheid en ontwikkeling van de minderjarige in de thuissituatie kunnen daardoor niet worden gewaarborgd. De plaatsing bij de oma en halfzus is daarom nog steeds noodzakelijk voor de verzorging en opvoeding.
De machtiging wordt verleend met ingang van 15 april 2024 tot 4 oktober 2024, de einddatum van de ondertoezichtstelling. De beschikking is uitvoerbaar bij voorraad en het hoger beroep kan binnen drie maanden worden ingesteld. De vader is niet verschenen en zijn standpunt is onbekend. De oma en halfzus bevestigen hun bereidheid en geschiktheid om voor de minderjarige te zorgen.