Partijen, die een affectieve relatie hadden, zijn uit elkaar gegaan en hebben gezamenlijk het ouderlijk gezag over hun minderjarige dochter. Na het uiteengaan is de zorgregeling gewijzigd van co-ouderschap naar feitelijk volledig verblijf bij de vader, met begeleide omgang van de moeder eenmaal per week.
De moeder verzocht de rechtbank om vaststelling van een kinderbijdrage van €247 per maand en een zorgregeling, terwijl de vader verzocht om vaststelling van het hoofdverblijf bij hem en een zorgregeling onder begeleiding van de gecertificeerde instelling (GI). De moeder voerde aan dat zij recht heeft op kinderbijdrage, de vader betwistte dit gezien het feitelijke verblijf en beperkte zorgkosten bij de moeder.
De rechtbank oordeelde dat het belang van de minderjarige zich niet verzet tegen het hoofdverblijf bij de vader en wijst dit verzoek toe. Het verzoek tot vaststelling van een zorgregeling wordt afgewezen omdat de GI regie voert en er onvoldoende informatie was over de benodigde voorwaarden voor uitbreiding van de omgang. Het verzoek tot kinderbijdrage wordt afgewezen omdat de minderjarige feitelijk bij de vader woont, de moeder nauwelijks zorgkosten heeft en er onvoldoende financiële gegevens zijn om een bijdrage vast te stellen.