ECLI:NL:RBNHO:2024:5211

Rechtbank Noord-Holland

Datum uitspraak
22 mei 2024
Publicatiedatum
28 mei 2024
Zaaknummer
10819709 \ CV EXPL 23-7714
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Verstek
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 6:96 BW
Verwijzingen
1 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Vernietiging oneerlijke incassokostenbedingen en ontbinding huurovereenkomst

In deze bodemzaak heeft de rechtbank Noord-Holland op 22 mei 2024 een verstekvonnis gewezen tegen de gedaagde partij die niet is verschenen. De zaak betreft een geschil over de toepassing van algemene voorwaarden in een huurovereenkomst, met name de artikelen 13.1 en 13.2 over buitengerechtelijke incassokosten en artikel 15 over Pro boetebeding.

De kantonrechter oordeelt dat de genoemde artikelen 13.1 en 13.2 oneerlijk zijn voor zover zij betrekking hebben op buitengerechtelijke incassokosten en vernietigt deze bedingen. De eisende partij, Stichting Pré Wonen, vordert betaling van € 5.479,16 aan achterstallige huurpenningen tot en met november 2023, welke vordering wordt toegewezen. Daarnaast wordt de gedaagde veroordeeld tot ontruiming van het gehuurde binnen veertien dagen na betekening van het vonnis.

De rechtbank veroordeelt de gedaagde tevens tot betaling van een gebruiksvergoeding van € 621,61 per maand voor iedere maand of gedeelte daarvan dat het gehuurde na 30 november 2023 in gebruik blijft. De proceskosten worden grotendeels aan de gedaagde opgelegd, inclusief nasalaris voor gemaakte nakosten. Het vonnis is uitvoerbaar bij voorraad verklaard.

Uitkomst: De huurovereenkomst wordt ontbonden, de gedaagde veroordeeld tot betaling van achterstallige huur en ontruiming binnen veertien dagen, en de oneerlijke incassokostenbedingen worden vernietigd.

Uitspraak

RECHTBANK NOORD-HOLLAND

Handel, Kanton en Insolventie
locatie Haarlem
Zaaknr./rolnr.: 10819709 \ CV EXPL 23-7714
Uitspraakdatum: 22 mei 2024
Verstekvonnis in de zaak van:
de stichting
Stichting Pré Wonen
gevestigd te Haarlem
de eisende partij
gemachtigde: Van der Hoeden / Mulder Gerechtsdeurwaarders en Juristen
tegen
[gedaagde]
wonende te [plaats]
de gedaagde partij
niet verschenen

1.De procedure

1.1.
Bij tussenvonnis van 3 januari 2024 (hierna: het tussenvonnis) heeft de kantonrechter de eisende partij in de gelegenheid gesteld om zich uit te laten over het daarin voorshands uitgesproken oordeel over de oneerlijkheid van bepaalde bedingen in de toepasselijke algemene voorwaarden [1] . Dit heeft de eisende partij gedaan bij akte van 31 januari 2024.

2.De verdere beoordeling

Het beding voor de buitengerechtelijke kosten (het incassobeding)
2.1.
De eisende partij stelt in de akte dat artikelen 13.1 en 13.2 niet oneerlijk zijn, omdat artikel 13.2 een lex specialis betreft en een beperking van artikel 13.1. Dit geldt ook voor het boetebeding in artikel 15. De eisende partij stelt dat artikel 13.1 en 15 niet van toepassing zijn op de vordering.
2.3.
De kantonrechter volgt de eisende partij hierin niet. Dat artikel 13.1 en 15 in dit specifieke geval in de praktijk niet zijn toegepast maakt wat is overwogen in het tussenvonnis (r.o. 2.9) niet anders. Zoals overwogen in het tussenvonnis toetst de kantonrechter de bedongen afspraken waar de consument door het sluiten van de overeenkomst contractueel aan kan worden gehouden. Dat de eisende partij stelt dat de consument niet daadwerkelijk aan die bepalingen wordt gehouden, omdat deze niet van toepassing zijn, is in dit verband niet relevant.
2.4.
De eisende partij voert ook aan dat tussen partijen eerder (op 15 november 2023) een vonnis is gewezen waarin zij de incassokosten heeft gevorderd conform artikel 6:96 BW Pro en het Besluit, en die kosten ook zijn toegewezen. Zij stelt dat niet valt in te zien hoe op dit moment anders over de overeenkomst tussen partijen zou kunnen worden geoordeeld.
2.5.
De kantonrechter licht toe dat in eerdere procedures nog niet (op deze wijze) ambtshalve werd getoetst of sprake was van oneerlijke bedingen in algemene voorwaarden. De eisende partij kan daar daarom geen rechten aan ontlenen. Uit het voorgaande vloeit voort dat de kantonrechter blijft bij het oordeel dat artikel 13.1 en 13.2 van de algemene voorwaarden oneerlijk zijn voor zover deze betrekking hebben op buitengerechtelijke incassokosten en daarom worden deze vernietigd.
2.6.
Uit het voorgaande vloeit voort dat de gevorderde buitengerechtelijke incassokosten worden afgewezen.
Huurachterstand
2.7.
De eisende partij vordert veroordeling van de gedaagde partij tot betaling van € 5.479,16 aan achterstallige huurpenningen tot en met november 2023. Dit bedrag aan achterstallige huurpenningen zal worden toegewezen.
Ontbinding, ontruiming en gebruiksvergoeding
2.8.
Gelet op de ingrijpende gevolgen voor de gedaagde partij wordt de ontruimingstermijn gesteld op veertien dagen na betekening van dit vonnis.
Conclusie en proceskosten
2.9.
De vordering van de eisende partij wordt grotendeels toegewezen. Voor het overige blijft de kantonrechter bij hetgeen in het tussenvonnis is overwogen en beslist.
2.10.
De gedaagde partij wordt overwegend in het ongelijk gesteld en wordt daarom in de proceskosten veroordeeld. Daarbij wordt de gedaagde partij ook veroordeeld tot betaling van € 102,00 aan nasalaris, voor zover daadwerkelijk nakosten door de eisende partij worden gemaakt. De kosten voor het nemen van de akte blijven voor rekening van de eisende partij nu het aan haar te wijten is dat het nodig was om de akte te nemen.

3.De beslissing

De kantonrechter:
3.1
ontbindt de tussen partijen bestaande huurovereenkomst;
3.2.
veroordeelt de gedaagde partij om het perceel aan de [adres] [plaats] binnen 14 dagen na betekening van dit vonnis te ontruimen en te verlaten met alle zich daarin en/of daarop bevindende personen en/of zaken (voor zover deze laatste niet het eigendom van de eisende partij zijn) en onder afgifte van de sleutels ter vrije beschikking van de eisende partij te stellen;
3.3.
veroordeelt de gedaagde partij om aan de eisende partij te betalen een bedrag van € 5.479,16 aan achterstallige huurpenningen;
3.4.
veroordeelt de gedaagde partij om aan de eisende partij te betalen een bedrag van € 621,61 per maand, voor iedere maand, of gedeelte daarvan, dat de gedaagde partij het gehuurde vanaf 30 november 2023 in gebruik houdt;
3.5.
veroordeelt de gedaagde partij in de proceskosten, tot op heden aan de zijde van de eisende partij begroot op:
€ 129,85 wegens dagvaardingskosten,
€ 514,00 wegens griffierecht en
€ 339,00 wegens salaris gemachtigde;
3.6.
veroordeelt de gedaagde partij tot betaling van € 102,00 aan nasalaris, voor zover daadwerkelijk nakosten door de eisende partij worden gemaakt;
3.7.
verklaart de veroordelingen tot zover uitvoerbaar bij voorraad;
3.8.
wijst af het meer of anders gevorderde.
Dit vonnis is gewezen door mr. M.P.E. Oomens en op bovengenoemde datum in het openbaar uitgesproken in aanwezigheid van de griffier.
De griffier De kantonrechter

Voetnoten

1.Algemene Huurvoorwaarden huurovereenkomst zelfstandige woonruimte (januari 2018)