In deze civiele procedure stond centraal of de kerkgemeente gebruik mocht maken van een pad dat deels over het perceel van gedaagden loopt. De kerkgemeente vorderde primair een erfdienstbaarheid door bevrijdende verjaring en subsidiair een recht van buurweg. De rechtbank oordeelde dat de primaire vordering niet kon worden toegewezen omdat de kerkgemeente het pad gebruikte met de overtuiging dat er sprake was van een buurweg.
De rechtbank stelde vast dat er sprake was van een langdurig en ongestoord gemeenschappelijk gebruik van het pad door zowel de kerkgemeente als de rechtsvoorgangers van gedaagden, wat een vermoeden van een buurweg oplevert. Diverse schriftelijke verklaringen van kerkgangers en betrokkenen bevestigden het gezamenlijke gebruik en onderhoud van het pad.
De rechtbank wees de subsidiaire vordering toe en verklaarde dat een recht van buurweg was ontstaan, waardoor de kerkgemeente en haar bezoekers het pad mogen gebruiken voor toegang, onderhoudswerkzaamheden en het lozen van hemelwater via het gezamenlijke riool. Gedaagden werden veroordeeld het hek te verwijderen en een dwangsom werd verbonden aan het niet naleven van deze veroordelingen. Tevens werden de proceskosten aan gedaagden opgelegd.