Uitspraak
RECHTBANK Noord-Holland
1.[bewindvoerder] , h.o.d.n. [bedrijf] ,
[betrokkene 1],
[gedaagde 2],
1.De procedure
- het emailbericht van 15 mei 2024 met de producties 1 tot en met 3 van de zijde van [bewindvoerder] namens [betrokkene 1] en [gedaagde 2],
- de mondelinge behandeling van 16 mei 2024, waarvan door de griffier aantekeningen zijn gemaakt
- de pleitnota van [bewindvoerder] namens [betrokkene 1] en [gedaagde 2],
2.De feiten
3.Het geschil
4.De beoordeling
voorshandshet volgende worden geconcludeerd:
- het wordt door het Kabinet anno 2024 maatschappelijk niet meer aanvaardbaar geacht dat huisuitzettingen ertoe leiden dat kinderen dakloos worden of gedwongen in de opvang moeten verblijven;
- daarbij is het in beginsel niet relevant wat de grondslag voor de huisuitzetting is;
- aan gemeenten wordt in dit verband een belangrijke rol toegekend;
- in gevallen als hier aan de orde, waarin de huisuitzetting een gevolg zou zijn van een besluit van de burgemeester, staat rechtsbescherming open. Dat impliceert opschorting van de uitzetting totdat de (bestuurs-)rechter het besluit (bij wege van voorlopige voorziening) heeft getoetst;
- in situaties waarin huisuitzetting onvermijdelijk is, heeft de gemeente een regiefunctie die moet worden ingezet om dakloosheid van het betrokken gezin te voorkomen. Dat lijkt te impliceren dat er in gevallen waarin het betrokken gezin in een corporatiewoning woont overleg tussen de gemeente en de corporatie plaatsvindt;
- dat geldt eens te meer in het onderhavige geval, waarin de woonsituatie in het kader van een maatschappelijk ondersteuningstraject tot stand is gekomen en hulpverlening reeds bij het gezin is betrokken.