Eiser heeft bezwaar gemaakt tegen een aanslag inkomstenbelasting en premie volksverzekeringen (IB/PVV) voor het jaar 2021, waarbij hij onduidelijkheden aanvoerde over het belastbaar inkomen en het recht op de jonggehandicaptenkorting. Verweerder heeft de aanslag gehandhaafd en een hoorzitting aangeboden, waarbij verweerder meerdere malen heeft geprobeerd een passend moment te vinden, ondanks dat eiser langdurig in het buitenland verbleef en verzocht om vergoeding van reiskosten.
Eiser stelde dat de hoorplicht en algemene beginselen van behoorlijk bestuur waren geschonden omdat hij niet tijdig en passend was uitgenodigd voor een hoorzitting en dat hij recht had op een dwangsom wegens overschrijding van de beslistermijn. De rechtbank oordeelde dat verweerder voldoende pogingen had gedaan om het hoorgesprek te plannen binnen redelijke grenzen en dat de hoorplicht en beginselen niet waren geschonden.
Ook werd geoordeeld dat verweerder tijdig uitspraak op bezwaar had gedaan binnen de wettelijke termijn, waardoor geen dwangsom verschuldigd was. De rechtbank zag geen aanleiding om de aanslag te vernietigen of te wijzigen, mede omdat eiser zijn betoog over het onjuiste aanslagbedrag onvoldoende had gemotiveerd.
De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond en wees een proceskostenveroordeling af. Partijen werd gewezen op de mogelijkheid tot hoger beroep bij het gerechtshof Amsterdam binnen zes weken na verzending van het vonnis.