ECLI:NL:RBNHO:2024:5893

Rechtbank Noord-Holland

Datum uitspraak
5 juni 2024
Publicatiedatum
12 juni 2024
Zaaknummer
10929581 CV EXPL 24-462
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Bodemzaak
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 2.4 HuurovereenkomstArt. 6:96 lid 2 BWArt. 6:119 BW
Verwijzingen
2 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Vernietiging oneerlijk beding huurovereenkomst inzake buitengerechtelijke incassokosten

De zaak betreft een bodemprocedure tussen Stichting Wooncompagnie en een gedaagde partij over de toepassing van een beding in een huurovereenkomst uit 2011. De kantonrechter heeft ambtshalve getoetst of het beding inzake buitengerechtelijke incassokosten en administratiekosten oneerlijk is.

In een tussenvonnis van 13 maart 2024 werd de eisende partij in de gelegenheid gesteld zich uit te laten over het voorshands oordeel dat het beding oneerlijk is. De eisende partij voerde aan dat zij zich beroept op de wettelijke regeling, maar de kantonrechter oordeelt dat als een contractueel beding oneerlijk is, dit beding vernietigd moet worden en de vordering op dat onderdeel afgewezen.

De kantonrechter toetste artikel 2.4 van de huurovereenkomst aan de wet- en regelgeving die gold op het moment van sluiten van de overeenkomst (8 februari 2011). Het beding gaf de eisende partij de mogelijkheid om ongelimiteerd kosten in rekening te brengen, wat in strijd is met het evenwicht tussen partijen en daarmee oneerlijk is. Daarom wordt het beding vernietigd en de buitengerechtelijke incasso- en administratiekosten afgewezen.

Wel wordt de gedaagde veroordeeld tot betaling van vervallen wettelijke rente en wettelijke rente over het openstaande bedrag vanaf 26 januari 2024. Het vonnis is uitvoerbaar bij voorraad verklaard en het meer of anders gevorderde is afgewezen.

Uitkomst: Het oneerlijke beding inzake buitengerechtelijke incassokosten wordt vernietigd en deze kosten worden afgewezen, met toewijzing van wettelijke rente.

Uitspraak

RECHTBANK NOORD-HOLLAND

Handel, Kanton en Bewind
locatie Alkmaar
Zaaknr./rolnr.: 10929581 \ CV EXPL 24-462
Uitspraakdatum: 5 juni 2024
Vonnis van de kantonrechter in de zaak van:
Stichting Wooncompagnie, h.o.d.n. Bouwcompagnie, Wooncompagnie en Blokcompagnie
te Hoorn NH
de eisende partij
gemachtigde: [gemachtigde 1] en [gemachtigde 2]
tegen
[gedaagde]
te [plaats]
de gedaagde partij
niet verschenen

1.De verdere procedure

1.1.
Bij tussenvonnis van 13 maart 2024 (hierna: het tussenvonnis) heeft de kantonrechter de eisende partij in de gelegenheid gesteld om zich bij akte uit te laten over het voorshands uitgesproken oordeel over de oneerlijkheid van een beding in de huurovereenkomst. Ter uitvoering van dat tussenvonnis heeft de eisende partij op 3 april 2024 een akte ingediend.

2.De verdere beoordeling

2.1.
De eisende partij voert in haar akte aan dat zij zich voor wat betreft de buitengerechtelijke incassokosten (en rente) beroept op de wettelijke regeling. Zoals ook in het tussenvonnis is overwogen (r.o. 3.3.) is dat echter niet relevant. Als de kantonrechter oordeelt dat een contractuele afspraak oneerlijk is, moet het beding worden vernietigd en moet de vordering op dat onderdeel worden afgewezen, ook als de eisende partij in de procedure een beroep doet op wettelijke bepalingen in plaats van op die contractuele afspraak. Dat de afwijzing van de buitengerechtelijke incassokosten voor de eisende partij leidt tot een onredelijke schadepost en wijziging van de algemene voorwaarden een enorme operatie is, zoals de eisende partij verder nog aanvoert in haar akte, is ook niet relevant voor de beoordeling of sprake is van een oneerlijk beding (zie r.o. 3.2. van het tussenvonnis).
2.2.
De eisende partij voert in haar akte terecht aan dat de kantonrechter artikel 2.4 van de huurovereenkomst had moeten toetsen aan de hand van de wet- en regelgeving die gold op het moment waarop de overeenkomst is gesloten (8 februari 2011). Die toetsing had echter hetzelfde oordeel van de kantonrechter tot gevolg gehad. Daartoe wordt als volgt overwogen.
2.3.
Op 8 februari 2011 was op een vordering tot vergoeding van buitengerechtelijke incassokosten artikel 6:96 lid 2 BW Pro en het Rapport Voorwerk II van toepassing. Op grond van het Rapport Voorwerk II wordt aan de hand van vaste tarieven op basis van het geldende liquidatietarief een bedrag toegewezen. Er is dus sprake van gelimiteerde kosten. Artikel 2.4 van de algemene voorwaarden verwijst echter niet naar artikel 6:96 lid 2 BW Pro en het Rapport Voorwerk II. Het biedt de eisende partij de mogelijkheid om ongelimiteerd kosten in rekening te brengen bij de consument indien er als gevolg van het verzuim maatregelen moeten worden genomen. Daarmee verstoort dit beding het evenwicht tussen de uit de overeenkomst voortvloeiende rechten en verplichtingen van de partijen ten nadele van de consument en is sprake van een oneerlijk beding.
2.4.
De kantonrechter blijft daarom bij wat in het tussenvonnis is overwogen en beslist. Gelet op het voorgaande vernietigt de kantonrechter artikel 2.4 van de huurovereenkomst voor zover dit betrekking heeft op buitengerechtelijke incasso- en administratiekosten. Als gevolg daarvan worden de gevorderde buitengerechtelijke incasso- administratiekosten afgewezen.
2.5.
De kantonrechter constateert dat in het tussenvonnis per abuis de (vervallen) wettelijke rente niet is toegewezen. Daarom wordt de gedaagde partij in dit eindvonnis alsnog veroordeeld tot betaling daarvan.

3.De verdere beslissing

De kantonrechter:
3.1.
veroordeelt de gedaagde partij om aan de eisende partij te betalen een bedrag van € 15,41 aan vervallen rente;
3.2.
veroordeelt de gedaagde partij om aan de eisende partij te betalen de wettelijke rente ex artikel 6:119 BW Pro over het bedrag van € 2.819,54 vanaf 26 januari 2024 tot de dag van volledige betaling;
3.3.
verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad;
3.4.
wijst het meer of anders gevorderde af.
Dit vonnis is gewezen door mr. M.P.E. Oomens en op bovengenoemde datum in het openbaar uitgesproken in aanwezigheid van de griffier.
De griffier De kantonrechter