ECLI:NL:RBNHO:2024:5893
Rechtbank Noord-Holland
- Bodemzaak
- Rechtspraak.nl
Vernietiging oneerlijk beding huurovereenkomst inzake buitengerechtelijke incassokosten
De zaak betreft een bodemprocedure tussen Stichting Wooncompagnie en een gedaagde partij over de toepassing van een beding in een huurovereenkomst uit 2011. De kantonrechter heeft ambtshalve getoetst of het beding inzake buitengerechtelijke incassokosten en administratiekosten oneerlijk is.
In een tussenvonnis van 13 maart 2024 werd de eisende partij in de gelegenheid gesteld zich uit te laten over het voorshands oordeel dat het beding oneerlijk is. De eisende partij voerde aan dat zij zich beroept op de wettelijke regeling, maar de kantonrechter oordeelt dat als een contractueel beding oneerlijk is, dit beding vernietigd moet worden en de vordering op dat onderdeel afgewezen.
De kantonrechter toetste artikel 2.4 van de huurovereenkomst aan de wet- en regelgeving die gold op het moment van sluiten van de overeenkomst (8 februari 2011). Het beding gaf de eisende partij de mogelijkheid om ongelimiteerd kosten in rekening te brengen, wat in strijd is met het evenwicht tussen partijen en daarmee oneerlijk is. Daarom wordt het beding vernietigd en de buitengerechtelijke incasso- en administratiekosten afgewezen.
Wel wordt de gedaagde veroordeeld tot betaling van vervallen wettelijke rente en wettelijke rente over het openstaande bedrag vanaf 26 januari 2024. Het vonnis is uitvoerbaar bij voorraad verklaard en het meer of anders gevorderde is afgewezen.
Uitkomst: Het oneerlijke beding inzake buitengerechtelijke incassokosten wordt vernietigd en deze kosten worden afgewezen, met toewijzing van wettelijke rente.