De rechtbank Noord-Holland heeft op 20 februari 2024 uitspraak gedaan over het verzoek tot uitlevering van een persoon aan Noord-Macedonië. Het verzoek betreft de tenuitvoerlegging van een gevangenisstraf van twee jaar en zes maanden, waarvan nog een restant van één jaar, tien maanden en acht dagen openstaat. De opgeëiste persoon verblijft in uitleveringsdetentie in het Justitieel Complex te Zaanstad.
De rechtbank heeft het verzoek en de bijbehorende stukken, waaronder het aanhoudingsbevel, het strafvonnis en vertalingen, zorgvuldig onderzocht. Tijdens de openbare zitting zijn de opgeëiste persoon, zijn raadsvrouw en de officier van justitie gehoord. De identiteit van de opgeëiste persoon is vastgesteld en er is geen inhoudelijk verweer gevoerd tegen de toelaatbaarheid van het verzoek.
De rechtbank heeft vastgesteld dat aan de wettelijke vereisten voor uitlevering is voldaan, waaronder de dubbele strafbaarheid van het ten laste gelegde feit, namelijk ongeoorloofde productie en handel in narcotica. Er zijn geen beletselen voor uitlevering gebleken. De rechtbank verklaart het verzoek tot uitlevering toelaatbaar en staat de uitlevering toe voor de verdere uitvoering van het strafrestant.
Tegen deze uitspraak is geen hoger beroep mogelijk, maar cassatie kan binnen veertien dagen worden ingesteld bij de Hoge Raad.