ECLI:NL:RBNHO:2024:6225
Rechtbank Noord-Holland
- Eerste aanleg - meervoudig
- G.D. Kleijne
- M. Visser
- A. Lub
- Rechtspraak.nl
Vrijspraak wegens onvoldoende bewijs van verkrachting in zedenzaken
De rechtbank Noord-Holland behandelde op 11 april 2024 een zaak waarin verdachte werd beschuldigd van verkrachting op of omstreeks 1 januari 2022 in IJmuiden. De officier van justitie eiste een gevangenisstraf van 24 maanden, waarvan 12 voorwaardelijk, terwijl de verdediging vrijspraak vorderde wegens gebrek aan bewijs.
Het bewijs bestond voornamelijk uit de verklaring van het slachtoffer, die aangaf dat zij tijdens een feestje onder invloed van alcohol en lachgas was en dat verdachte haar tegen haar wil had gepenetreerd. Verdachte ontkende de penetratie met de penis en gaf aan dat de seksuele handelingen consensueel waren. Medisch onderzoek toonde slijmvliesletsel bij het slachtoffer, maar het DNA-onderzoek leverde geen aanwijzingen op voor penetratie door verdachte.
De rechtbank oordeelde dat de verklaringen van het slachtoffer onvoldoende werden ondersteund door objectief steunbewijs. De getuigenverklaring was inconsistent en het DNA-onderzoek weerlegde niet het scenario van verdachte. Gezien het ontbreken van voldoende wettig en overtuigend bewijs sprak de rechtbank verdachte vrij van de ten laste gelegde verkrachting.
Daarnaast werd de vordering tot schadevergoeding van het slachtoffer afgewezen wegens de vrijspraak, en werd de benadeelde partij veroordeeld in de proceskosten, die tot op heden nihil waren.
Uitkomst: Verdachte wordt vrijgesproken wegens onvoldoende wettig en overtuigend bewijs van verkrachting.