De rechtbank Noord-Holland behandelde op 28 maart 2024 het verzoek tot uitlevering van een persoon aan Zwitserland, gericht op strafvervolging voor diefstal met geweldpleging, afpersing en fraude. Het verzoek was onderbouwd met een authentiek arrestatiebevel en de relevante stukken die voldeden aan de vereisten van de Uitleveringswet en het Europees Verdrag betreffende uitlevering.
Tijdens de zitting werd de identiteit van de opgeëiste persoon vastgesteld en werden de standpunten van de officier van justitie en de raadsvrouw gehoord. De officier van justitie concludeerde dat het verzoek toelaatbaar was, terwijl de raadsvrouw geen inhoudelijk verweer voerde tegen de toelaatbaarheid.
De rechtbank beoordeelde dat aan de voorwaarden van dubbele strafbaarheid was voldaan, aangezien de feiten strafbaar zijn in zowel Zwitserland als Nederland en daar een vrijheidsstraf van ten minste één jaar op staat. Er waren geen beletselen voor toelaatbaarheid vastgesteld.
De rechtbank verklaarde het verzoek tot uitlevering toelaatbaar en beval de gevangenhouding van de opgeëiste persoon om ontduiking van uitlevering te voorkomen. Deze gevangenhouding werd geschorst tot de tenuitvoerlegging van andere opgelegde gevangenisstraffen is geëindigd. Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep open, maar cassatie is mogelijk binnen veertien dagen.