ECLI:NL:RBNHO:2024:6331

Rechtbank Noord-Holland

Datum uitspraak
21 mei 2024
Publicatiedatum
24 juni 2024
Zaaknummer
11056403 VV EXPL 24-30
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8.1 Landelijk Procesreglement kort gedingen rechtbankenECLI:NL:HR:2016:1078
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Proceskostenveroordeling na intrekking kort geding wegens verkeerde partij

In deze zaak heeft eiser een kort geding aangespannen tegen een besloten vennootschap, maar heeft het kort geding ingetrokken voordat de zaak werd behandeld, omdat per abuis de verkeerde rechtspersoon was gedagvaard.

Gedaagde heeft daarop gevorderd dat eiser wordt veroordeeld in de proceskosten. De kantonrechter oordeelt dat de intrekking plaatsvond nadat gedaagde al kosten had gemaakt en dat de procedure daarom niet verviel. Eiser is griffierecht verschuldigd en moet de proceskosten van gedaagde vergoeden.

De kosten van gedaagde worden begroot op de helft van het tarief voor een eenvoudig kanton kort geding, omdat gedaagde geen proceshandeling heeft verricht. Eiser wordt veroordeeld tot betaling van €291,50 aan proceskosten, vermeerderd met eventuele kosten van betekening bij niet-tijdige betaling.

De veroordeling is uitvoerbaar bij voorraad en het meer of anders gevorderde wordt afgewezen.

Uitkomst: Eiser wordt veroordeeld tot betaling van €291,50 aan proceskosten na intrekking kort geding wegens verkeerde partij.

Uitspraak

RECHTBANKNOORD-HOLLAND
Civiel recht
Kantonrechter
Zittingsplaats Zaanstad
Zaaknummer: 11056403 \ VV EXPL 24-30 (BL)
Vonnis in kort geding van 21 mei 2024
in de zaak van
de besloten vennootschap
[eiser 1].,
te [vestigingsplaats 1] ,
eisende partij,
hierna te noemen: [eiser 1],
gemachtigde: mr. H. Temel,
tegen
de besloten vennootschap
[gedaagde 1].,
te [vestigingsplaats 2] ,
gedaagde partij,
hierna te noemen: [gedaagde 1],
gemachtigde: mr. J. de Graaf.

1.De procedure

1.1.
[eiser 1] heeft [gedaagde 1] op 24 april 2024 in kort geding gedagvaard om op 14 mei 2024 te verschijnen bij de kantonrechter van deze rechtbank, locatie Alkmaar.
1.2.
Op 10 mei 2024 heeft [eiser 1] het kort geding ingetrokken.
1.3.
Op 13 mei 2024 heeft [gedaagde 1] verzocht om [eiser 1] te veroordelen in de proceskosten in het kort geding. Daarop heeft [eiser 1] op 13 mei 2024 gereageerd.

2.De beoordeling

2.1.
Voorafgaand aan de intrekking van het kort geding heeft mr. De Graaf in een brief van 10 mei 2024 aan de kantonrechter bericht dat volgens [gedaagde 1]. niet zij maar [ander bedrijf] in deze kwestie de contractspartij is, zodat de verkeerde partij is gedagvaard. In haar brief van 13 mei 2024 erkent [eiser 1] dat zij het kort geding heeft ingetrokken omdat per abuis de verkeerde rechtspersoon is gedagvaard.
2.2.
[eiser 1] heeft het kort geding ingetrokken voordat de zaak zou worden uitgeroepen. Na deze intrekking heeft [gedaagde 1] meegedeeld dat zij een beslissing wil over de proceskosten. Deze mededeling heeft [gedaagde 1] gedaan aan [eiser 1] en aan de kantonrechter, voor de datum waartegen zij was opgeroepen. Daardoor is de aanhangigheid van de procedure niet komen te vervallen en moet de kantonrechter beslissen over de proceskosten. Ook is [eiser 1] daardoor griffierecht verschuldigd. [1]
2.3.
Naar aanleiding van het verweer van [eiser 1] tegen een proceskostenveroordeling heeft [gedaagde 1] haar kosten gespecificeerd. Zij stelt dat mr. De Graaf de dagvaarding heeft bestudeerd, overleg met haar heeft gevoerd en op 10 mei 2024 eerdergenoemde brief aan de kantonrechter heeft gestuurd. Hieraan is tot en met 10 mei 2024 2,83 uur besteed à € 250,00 exclusief btw, aldus [gedaagde 1]. Daarbij merkt [gedaagde 1] op dat het liquidatietarief met een minimum van 0,5 punt wat haar betreft ook redelijk is.
2.4.
Gelet op het voorgaande ziet de kantonrechter aanleiding om [eiser 1] te veroordelen in de proceskosten van het kort geding, die worden begroot volgens de Aanbeveling tarieven kort gedingen kantonzaken en handelszaken. [2] Omdat het kort geding is ingetrokken voordat [gedaagde 1] een proceshandeling heeft verricht, worden haar kosten begroot op de helft van het tarief dat hoort bij een eenvoudig kanton kort geding, te weten € 271,50 (€ 543,00 x 0,5) voor salaris gemachtigde. Dat mogelijk kosten gemaakt zullen worden in een toekomstige nieuwe zaak tegen de juiste rechtspersoon doet er niet aan af dat [gedaagde 1] in deze zaak kosten heeft gemaakt die voor vergoeding in aanmerking komen.
2.2.
[eiser 1] moet dus de proceskosten (inclusief nakosten) betalen. De proceskosten van [gedaagde 1] worden begroot op:
- salaris gemachtigde
271,50
- nakosten
20,00
(plus de kosten van betekening zoals vermeld in de beslissing)
Totaal
291,50

3.De beslissing

De kantonrechter
3.1.
veroordeelt [eiser 1] in de proceskosten van € 291,50, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met de kosten van betekening als [eiser 1] niet tijdig aan de veroordelingen voldoet en het vonnis daarna wordt betekend,
3.2.
verklaart deze veroordeling uitvoerbaar bij voorraad,
3.3.
wijst het meer of anders gevorderde af.
Dit vonnis is gewezen door mr. P.J. Jansen en in het openbaar uitgesproken op 21 mei 2024.

Voetnoten

1.Zie artikel 8.1 van het Landelijk Procesreglement kort gedingen rechtbanken, geldend vanaf 1 januari 2024 (te vinden op www.rechtspraak.nl/Voor-advocaten-en-juristen/Reglementen-procedures-en-formulieren/Kanton) en de uitspraak van de Hoge Raad van 3 juni 2016, te vinden op www.rechtspraak.nl onder nummer ECLI:NL:HR:2016:1078
2.Te vinden op www.rechtspraak.nl/Voor-advocaten-en-juristen/Reglementen-procedures-en-formulieren/Civiel/tarieven-kosten-vergoedingen/Paginas/aanbeveling-tarieven-kort-gedingen-kantonzaken-en-handelszaken-2024