ECLI:NL:RBNHO:2024:6613

Rechtbank Noord-Holland

Datum uitspraak
3 juni 2024
Publicatiedatum
1 juli 2024
Zaaknummer
10921422 \ WM VERZ 24-286
Instantie
Rechtbank Noord-Holland
Type
Uitspraak
Uitkomst
Deels toewijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 9 WAHVArt. 160, eerste lid onder b WegenverkeerswetArt. 14 WAHV
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beroep tegen boete voor niet afgeven rijbewijs bij eerste vordering

Betrokkene kreeg een administratieve boete opgelegd wegens het niet behoorlijk afgeven van het rijbewijs op de eerste vordering. Hij stelde beroep in tegen deze boete, maar de officier van justitie verklaarde dit ongegrond dan wel niet-ontvankelijk. Vervolgens stelde betrokkene beroep in bij de kantonrechter.

Tijdens de zitting was de vertegenwoordiger van de officier van justitie aanwezig, betrokkene niet. De kantonrechter oordeelde dat uit het dossier, met name de verklaring van de verbalisant, voldoende is gebleken dat betrokkene het rijbewijs niet overhandigde maar tegen de zijruit drukte. Betrokkene stelde dat hij hiermee aan zijn toonplicht had voldaan, maar de kantonrechter wees erop dat de Wegenverkeerswet een plicht tot afgifte voorschrijft.

Wel achtte de kantonrechter bijzondere omstandigheden van belang, zoals gevoelens van onmacht en frustratie bij betrokkene, die voortkomen uit een langdurig conflict met zijn ex-partner en de politie. Deze omstandigheden leidden tot recalcitrant gedrag, dat niet goed te praten is, maar wel aanleiding gaf tot matiging van de boete. De boete werd gematigd tot nihil, met de waarschuwing dat herhaald onaangepast gedrag niet tot matiging zal leiden.

Uitkomst: De boete voor het niet afgeven van het rijbewijs is gematigd tot nihil vanwege bijzondere persoonlijke omstandigheden.

Uitspraak

RECHTBANK NOORD-HOLLAND

Handel, Kanton en Insolventie
locatie Haarlem
Zaaknummer : 10921422 \ WM VERZ 24-286
CJIB-nummer : [nummer]
Uitspraakdatum : 3 juni 2024
Uitspraak op een beroep als bedoeld in artikel 9 van Pro de Wet administratiefrechtelijke handhaving verkeersvoorschriften (WAHV)
in de zaak van
naam : [betrokkene]
adres : [adres]
woonplaats : [adres]
(hierna te noemen: betrokkene).

Het verloop van de procedure

Aan betrokkene is een administratieve sanctie (hierna te noemen: boete) opgelegd. Betrokkene heeft daartegen beroep ingesteld bij de officier van justitie. De officier van justitie heeft het beroep ongegrond dan wel niet-ontvankelijk verklaard. Tegen die beslissing is door betrokkene beroep ingesteld bij de kantonrechter.
De zaak is behandeld op de zitting van 22 april 2024. Op de zitting is de vertegenwoordiger van de officier van justitie verschenen. Betrokkene is niet verschenen. De kantonrechter heeft na de zitting uitspraak gedaan.

Overwegingen

De gedraging waarvoor de boete is opgelegd, luidt – kort omschreven – als volgt: niet op de eerste vordering behoorlijk het rijbewijs ter inzage afgeven.
Betrokkene is het niet eens met de beslissing van de officier van justitie en heeft in het beroepschrift de gronden daarvoor aangevoerd.
De kantonrechter is van oordeel dat uit de stukken die zich in het dossier bevinden – met name uit de verklaring van de verbalisant – voldoende blijkt dat de gedraging waarvoor de boete is opgelegd, is verricht. Betrokkene heeft onvoldoende feiten en omstandigheden aangevoerd die aanleiding geven om te twijfelen aan de verklaring van de verbalisant. In dit verband is van belang dat verbalisant heeft verklaard dat betrokkene het rijbewijs tegen de zijruit van de auto drukte in plaats van deze te overhandigen. Betrokkene geeft aan dat hij daarmee heeft voldaan aan zijn ‘toonplicht’. De kantonrechter wijst er evenwel op dat het desbetreffende artikel in de wet (artikel 160, eerste lid onder b van de Wegenverkeerswet) uitgaat van een plicht tot
afgiftevan het rijbewijs en niet slechts een toonplicht. Het vorderen tot afgifte is toegestaan bij het controleren op naleving van regels, zoals bijvoorbeeld het hebben van een rijbewijs bij een bestuurder van een auto.
De kantonrechter ziet in hetgeen betrokkene heeft aangevoerd wel aanleiding om de boete te matigen. Blijkens het rapport d.d. 21 mei 2021 van het Team Gedragswetenschappelijke Ondersteuning van de Politie, Eenheid Amsterdam, Regionale Recherche spelen er bijzondere omstandigheden waardoor aan de zijde van betrokkene sprake is van gevoelens van onmacht en grote frustratie jegens dienstverleners. Daaronder valt ook de politie die hem naar het zich laat aanzien in het verleden ten onrechte heeft weggezet als ‘boosdoener’ in een langlopend conflict met zijn ex-partner met vergaande gevolgen voor de omgang met zijn kind. Het heeft er alle schijn van dat deze gevoelens van onmacht en frustratie aanleiding hebben gegeven tot het recalcitrante gedrag jegens de bij het vorderen van het rijbewijs betrokken verbalisant. Dergelijk gedrag is niet goed te praten, allereerst niet omdat betrokkene daarmee alle politieambtenaren over één kam scheert. Daarnaast moet ook betrokkene, net als iedereen, zich gewoon houden aan de verkeersregels. Bovendien is dergelijk gedrag niet effectief omdat zonder achtergrondkennis het gedrag van betrokkene niet begrepen zal worden en kan leiden tot acties aan de zijde van verbalisanten, gelijk ook in dit geval is gebeurd. De kantonrechter zal bij de onderhavige sanctie het bedrag niettemin matigen tot nihil vanwege genoemde bijzondere omstandigheden, doch drukt betrokkene op het hart zijn gedrag in het vervolg aan te passen. Bij herhaald onaangepast gedrag zal er steeds minder aanleiding bestaan om boetes te matigen vanwege de omstandigheden.
Het beroep is gelet op de matiging gedeeltelijk gegrond. De beslissing van officier van justitie zal worden gewijzigd.

De uitspraak

De kantonrechter:
‒ verklaart het beroep gedeeltelijk gegrond;
‒ wijzigt de beslissing van de officier van justitie, in die zin dat de boete wordt gematigd tot nihil;
‒ bepaalt dat de officier van justitie het bedrag dat betrokkene als zekerheidstelling heeft betaald, aan betrokkene terugbetaalt.
Deze uitspraak is gedaan door mr. M.P. de Valk, kantonrechter, bijgestaan door de griffier, en in het openbaar uitgesproken.
De griffier De kantonrechter
Tegen deze uitspraak kan op grond van artikel 14 WAHV Pro hoger beroep worden ingesteld bij het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, binnen 6 weken na de hieronder vermelde dag van toezending. Hoger beroep is in beginsel alleen mogelijk als de boete in de uitspraak is bepaald op een bedrag van meer dan € 110,00. Het beroepschrift moet worden verzonden aan de afdeling Kanton van de rechtbank Noord-Holland, Postbus 251, 1800 BG Alkmaar. De wet gaat uit van een geheel schriftelijke procedure in hoger beroep, tenzij door u bij het beroepschrift uitdrukkelijk om een mondelinge behandeling van de zaak is verzocht.
Het instellen van hoger beroep per e-mail is niet mogelijk.
Datum toezending: