In deze zaak vordert de oma een voorlopige omgangsregeling met haar kleinkind, de minderjarige, vanwege zorgen over de onstabiele situatie bij de moeder. De moeder is niet verschenen bij de zitting, waarna verstek werd verleend. De minderjarige verblijft sinds september 2022 vrijwillig uit huis geplaatst bij een verblijfplaats in afwachting van een definitieve beslissing.
De oma heeft een nauwe persoonlijke betrekking met de minderjarige en heeft veelvuldig gezorgd voor hem, maar de omgang is de laatste tijd sterk beperkt door het gedrag van de moeder en de verblijfplaats. De Raad voor de Kinderbescherming heeft aangegeven dat de situatie complex is en onvoldoende informatie beschikbaar is om een advies te geven over de omgangsregeling, maar erkent het belang van voorspelbaar contact met de oma.
De voorzieningenrechter stelt een voorlopige minimale omgangsregeling vast waarbij de oma de minderjarige eenmaal per zes weken op zaterdag mag bezoeken. Tevens wordt de Raad verzocht een onderzoek te verrichten ten behoeve van de bodemprocedure naar de hoofdverblijfplaats en omgangsregeling. De kosten worden tussen partijen gecompenseerd en het vonnis is uitvoerbaar bij voorraad.