Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBNHO:2024:6800

Rechtbank Noord-Holland

Datum uitspraak
8 juli 2024
Publicatiedatum
4 juli 2024
Zaaknummer
15/222649-21 (P)
Instantie
Rechtbank Noord-Holland
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Vrijspraak
Procedures
  • Eerste aanleg - meervoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 314a Sv
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Vrijspraak verdachte brandstichting nabij geparkeerd voertuig te Koog aan de Zaan

Op 21 juni 2021 vond in Koog aan de Zaan een brandstichting plaats waarbij een geparkeerd voertuig geheel of gedeeltelijk verbrandde en gevaar ontstond voor nabijgelegen woningen en andere voertuigen.

De verdachte werd ervan verdacht deze brandstichting te hebben gepleegd, al dan niet samen met anderen. De rechtbank stelde vast dat de dagvaarding geldig was, zij bevoegd was en de officier van justitie ontvankelijk was in de vervolging.

Tijdens de openbare terechtzittingen op 10, 11 en 24 juni 2024 werd door de officier van justitie en de verdediging gepleit voor vrijspraak. De rechtbank oordeelde dat het dossier onvoldoende bewijs bevatte om wettig en overtuigend vast te stellen dat de verdachte (mede)pleger was van de brandstichting, ondanks aanwijzingen zoals het aanstralen van zijn telefoon nabij de plaats delict en banden met andere verdachten.

Daarom sprak de rechtbank de verdachte vrij en verklaarde zij de benadeelde partijen niet-ontvankelijk in hun vorderingen tot schadevergoeding wegens immateriële schade. Tevens werd het reeds geschorste bevel tot voorlopige hechtenis opgeheven.

Uitkomst: Verdachte wordt vrijgesproken van brandstichting wegens onvoldoende bewijs.

Uitspraak

RECHTBANK NOORD-HOLLAND

Team Straf, zittingsplaats Haarlemmermeer
Meervoudige strafkamer
Parketnummer: 15/222649-21 (P)
Uitspraakdatum: 8 juli 2024
Tegenspraak
Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de openbare terechtzittingen van 10, 11 en 24 juni 2024 in de zaak tegen:
[verdachte],
geboren op [geboortedatum] 1989 te [geboorteplaats] ,
ingeschreven in de basisregistratie personen op het [adres] .
De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officieren van justitie (hierna: de officier van justitie) en van hetgeen de verdachte en zijn raadsvrouw, mr. F. Tosun, advocaat te Zaandam, naar voren hebben gebracht.

1.Tenlastelegging

Aan de verdachte is, na nadere omschrijving van de tenlastelegging als bedoeld in artikel 314a van het Wetboek van Strafvordering, ten laste gelegd dat:
hij op of omstreeks 21juni 2021 te Koog aan de Zaan, tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, opzettelijk een brand heeft gesticht door open vuur in aanraking te brengen met (een) brandbare vloeistof(fen) nabij een geparkeerd staand voertuig met [kenteken 1] , althans open vuur aan te brengen en/of achter te laten nabij genoemd voertuig, ten gevolge waarvan dat voertuig geheel of gedeeltelijk is verbrand, in elk geval brand is ontstaan, terwijl daarvan gemeen gevaar voor goederen, te weten de nabij geparkeerde voertuigen met [kenteken 2] en/of [kenteken 3] en/of de nabij gelegen
woning(en) aan [adres] , in elk geval gemeen gevaar voor goederen te duchten was, en/of levensgevaar en/of gevaar voor zwaar lichamelijk letsel voor een ander/anderen, te weten de bewoners van genoemde woning(en) aan [adres] , in elk geval levensgevaar en/of zwaar lichamelijk letsel voor een ander of anderen te duchten
was.

2.Voorvragen

De rechtbank heeft vastgesteld dat de dagvaarding geldig is, dat zij bevoegd is tot kennisneming van de zaak, dat de officier van justitie ontvankelijk is in de vervolging en dat er geen redenen zijn voor schorsing van de vervolging.

3.Standpunten van partijen

3.1.
Standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft gerekwireerd tot vrijspraak van het ten laste gelegde feit.
3.2.
Standpunt van de verdediging
De raadsvrouw heeft bepleit dat de verdachte dient worden vrijgesproken van het ten laste gelegde feit.
3.3.
Oordeel van de rechtbankNaar het oordeel van de rechtbank is niet wettig en overtuigend bewezen hetgeen de verdachte ten laste is gelegd. De rechtbank overweegt daartoe het volgende. Uit het procesdossier rijst weliswaar het vermoeden op dat de verdachte betrokken zou kunnen zijn geweest bij de brandstichting op 21 juni 2021, gelet op het aanstralen van zijn telefoon in de directe omgeving van de plek waar de brandstichting heeft plaatsgevonden en de omstandigheid dat de verdachte banden onderhield met de andere verdachten van het veroorzaken van meerdere (strafbare) incidenten bij het [adres] . Echter, het dossier bevat onvoldoende bewijsmiddelen op grond waarvan kan worden vastgesteld dat de verdachte (mede)pleger van de brandstichting is geweest. De rechtbank zal de verdachte dan ook vrijspreken.

4.Vorderingen benadeelde partijen

De benadeelde partijen [benadeelde 1] , [benadeelde 2] , [benadeelde 3] en [benadeelde 4] hebben een vordering tot schadevergoeding ingediend tegen de verdachte wegens immateriële schade die zij als gevolg van het ten laste gelegde feit zouden hebben geleden.
De rechtbank is van oordeel dat nu niet wettig en overtuigend is bewezen hetgeen aan de verdachte is tenlastegelegd, de benadeelde partijen niet in hun vordering kunnen worden ontvangen.
Gelet hierop zal de rechtbank bepalen dat de benadeelde partijen niet-ontvankelijk zijn in de vordering.

5.Beslissing

De rechtbank:
Verklaart niet bewezen wat aan de verdachte is ten laste gelegd en spreekt hem daarvan vrij.
Verklaart de benadeelde partij [benadeelde 1] niet-ontvankelijk in de vordering.
Verklaart de benadeelde partij [benadeelde 2] niet-ontvankelijk in de vordering.
Verklaart de benadeelde partij [benadeelde 3] niet-ontvankelijk in de vordering.
Verklaart de benadeelde partij [benadeelde 4] niet-ontvankelijk in de vordering.
Heft op het reeds geschorste bevel tot voorlopige hechtenis van de verdachte.
Samenstelling rechtbank en uitspraakdatum
Dit vonnis is gewezen door
mr. I.A.M. Tel, voorzitter,
mr. J.C. van den Bos en mr. P.A. Hesselink, rechters,
in tegenwoordigheid van de griffier mr. J. Dommershuijzen,
en uitgesproken op de openbare terechtzitting van 8 juli 2024.