De zaak betreft een verzoek van de gecertificeerde instelling William Schrikker Stichting tot verlenging van de machtiging tot uithuisplaatsing van een minderjarige, die sinds maart 2024 in een gezinshuis verblijft. De kinderrechter heeft eerder een spoedmachtiging afgegeven en een machtiging verleend tot 20 juni 2024.
De GI stelt dat de uithuisplaatsing noodzakelijk blijft omdat de ontwikkeling van de minderjarige wordt bedreigd, met name door terugval in spraak na contact met ouders en signalen van seksueel misbruik. Er is onvoldoende zicht op de veiligheid in de thuissituatie, mede door bedreigingen van de moeder richting de GI en het weigeren van toegang tot de woning voor veiligheidschecks. De ouders zijn terughoudend in het meewerken aan een gezinsopname bij de GGZ, die als belangrijk wordt gezien om het gezin te beoordelen.
De moeder en vader zijn het niet eens met verlenging; de moeder vreest trauma’s bij gezinsopname en wil begeleiding bij thuisplaatsing, de vader twijfelt aan het gezinshuis en gezinsopname. De kinderrechter oordeelt dat de machtiging noodzakelijk is in het belang van de verzorging en opvoeding, gezien de zorgen over veiligheid, ontwikkelingsachterstanden en het gedrag van de minderjarige.
De machtiging tot uithuisplaatsing wordt verlengd tot 20 september 2024 en is uitvoerbaar bij voorraad. Het hoger beroep kan binnen drie maanden worden ingesteld. De uitspraak is gedaan door kinderrechter N. Cuvelier op 14 juni 2024.