ECLI:NL:RBNHO:2024:7572

Rechtbank Noord-Holland

Datum uitspraak
10 juli 2024
Publicatiedatum
24 juli 2024
Zaaknummer
11040358 \ CV EXPL 24-2284
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Verstek
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 7:57 lid 1 sub c BWArt. 7:58 lid 2 sub e BWArt. 7:60 BWArt. 7:74 sub h BWArt. 6:119 BW
Verwijzingen
13 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing vordering wegens niet-naleving consumentenkredietwet bij gespreid betalen

De eisende partij vorderde nakoming van een koopovereenkomst waarbij de gedaagde partij gebruikmaakte van de betaalmethode 'Gespreid Betalen' van in3 Finance I B.V., waarbij de koopsom in drie termijnen wordt voldaan. De vordering werd ingesteld nadat de gedaagde partij niet betaalde en verstek werd verleend.

De kantonrechter stelde vast dat het uitstel van betaling een vorm van kredietverstrekking betreft conform artikel 7:57 lid 1 sub c BW Pro, waardoor zowel de regels voor consumentenkoop als de bepalingen inzake consumentenkrediet van toepassing zijn. De rechter toetste ambtshalve of aan de informatieverplichtingen en kredietwaardigheidstoetsen was voldaan.

De eisende partij stelde dat een uitzondering van artikel 7:58 lid 2 sub e BW Pro van toepassing was, omdat bij tijdige betaling geen rente of kosten werden gerekend. De kantonrechter verwierp dit, omdat in de algemene voorwaarden aanmaningskosten bij te late betaling waren toegestaan, wat onder kredietvergoeding valt.

De eisende partij had echter niet gesteld of onderbouwd dat zij had voldaan aan de informatieplichten en kredietwaardigheidstoetsen, noch dat een dergelijke toets was uitgevoerd. Hierdoor werd de vordering afgewezen wegens onvoldoende stelplicht. De subsidiaire vordering wegens ongerechtvaardigde verrijking werd niet behandeld omdat de hoofdvoorwaarde niet was vervuld.

De eisende partij werd veroordeeld in de proceskosten, die nihil werden vastgesteld voor de gedaagde partij.

Uitkomst: De vordering wordt afgewezen wegens niet-naleving van de wettelijke verplichtingen inzake consumentenkrediet.

Uitspraak

RECHTBANK NOORD-HOLLAND

Handel, Kanton en Insolventie
locatie Haarlem
Zaaknr./rolnr.: 11040358 \ CV EXPL 24-2284
Uitspraakdatum: 10 juli 2024
Verstekvonnis van de kantonrechter in de zaak van:
Capaccs Invest II B.V.
te Eindhoven
de eisende partij
gemachtigde: ACCS Gerechtsdeurwaarders
tegen
[gedaagde]
te [plaats]
de gedaagde partij
niet verschenen

1.Het procesverloop

1.1.
De eisende partij heeft de gedaagde partij gedagvaard. Tegen de gedaagde partij is verstek verleend.

2.De beoordeling

2.1.
De eisende partij vordert primair nakoming van de overeenkomst en veroordeling van de gedaagde partij tot betaling van € 324,13 aan hoofdsom, wettelijke rente en buitengerechtelijke incassokosten. Subsidiair vordert de eisende partij veroordeling van de gedaagde partij tot betaling van een bedrag van € 314,74. Zowel primair als subsidiair vordert de eisende partij de wettelijke rente over € 266,34 vanaf de datum van de dagvaarding en veroordeling van de gedaagde partij in de proceskosten.
2.2.
De eisende partij heeft aan haar vordering ten grondslag gelegd dat de gedaagde partij een bestelling heeft geplaatst bij een webwinkel en daarbij heeft gekozen voor de achteraf betaalmethode ‘Gespreid Betalen’ van in3 Finance I B.V. (hierna: in3), waarbij de gedaagde partij de algemene voorwaarden van de webwinkel heeft geaccepteerd. De eisende partij heeft toegelicht dat de vordering tot voldoening van de koopsom door de webwinkel op de factuurdatum is gecedeerd aan in3. De gedaagde partij heeft met betaling van de eerste termijn de betalingsvoorwaarden van in3 geaccepteerd. In3 heeft de vordering tijdens het incassotraject in juridisch eigendom overgedragen aan de eisende partij.
2.3.
De gekozen betaalmethode biedt aan de consument de mogelijkheid om de koopsom in drie gelijke maandelijkse termijnen te voldoen. Krachtens de in3 betalingsvoorwaarden wordt de bestelling pas daadwerkelijk geplaatst bij de webwinkel nadat de consument een derde deel van de koopsom direct heeft voldaan. De tweede termijn dient binnen 30 dagen na de factuurdatum te zijn voldaan. De derde termijn dient binnen 60 dagen na de factuurdatum te zijn voldaan. Het aan de gedaagde partij verlenen van uitstel van betaling is een vorm van kredietverstrekking ex artikel 7:57 lid 1 sub c van Pro het Burgerlijk Wetboek (BW). De kantonrechter verwijst in dit verband ook naar de arresten van de Hoge Raad van 26 mei 2023 [1] en 30 juni 2023 [2] . Daarmee staat vast dat sprake is van een koopovereenkomst waarbij uitstel van betaling is verleend. Op die overeenkomst zijn zowel de bepalingen voor overeenkomsten tussen handelaren en consumenten van toepassing (Boek 6, titel 5, afdeling 2B, BW) als (in beginsel) de bepalingen inzake consumentenkrediet (Boek 7, titel 2A, afdeling 1, BW). De kantonrechter moet ambtshalve toetsen of voldaan is aan die bepalingen.
2.4.
De kantonrechter ziet aanleiding om in de eerste plaats ambtshalve te toetsen of voldaan is aan de verplichtingen inzake consumentenkrediet. De eisende partij dient in een dergelijk geval te stellen en te onderbouwen dat is voldaan aan de bepalingen van titel 7:2A BW, in het bijzonder de informatieplichten van artikel 7:60 BW Pro, en de kredietwaardigheidstoets van artikel 4:34 lid 1 Wet Pro op het financieel toezicht, of dat sprake is van een uitzondering als bedoeld in artikel 7:58 lid 2 BW Pro.
2.5.
In dit kader heeft de eisende partij gesteld dat sprake is van een uitzondering als bedoeld in artikel 7:58 lid 2 onder Pro e BW, omdat bij het aangaan van het krediet en bij betaling binnen de gestelde termijn geen rente en andere kosten in rekening worden gebracht. Pas na het intreden van verzuim na afloop van de in de factuur gestelde termijn wordt rente verschuldigd en pas na verloop van de termijn in de door de gedaagde partij ontvangen veertiendagenbrief worden incassokosten verschuldigd. Van overeengekomen rente en incassokosten is geen sprake; er is ‘slechts’ sprake van toepassing van artikel 6:119 BW Pro en artikel 6:96 BW Pro, aldus de eisende partij. De kantonrechter kan deze argumentatie niet volgen en overweegt daartoe als volgt.
2.6.
Bij de totstandkoming van de onderhavige overeenkomst is de gedaagde partij akkoord gegaan met de algemene voorwaarden van in3. In die voorwaarden is (onder meer) bedongen dat bij te late betaling aanmaningskosten in rekening mogen worden gebracht. In tegenstelling tot wat de eisende partij heeft gesteld is niet van belang of deze aanmaningskosten ook daadwerkelijk bij de gedaagde partij in rekening zijn gebracht. Bij de toetsing van het krediet gaat het om het moment van aangaan van de overeenkomst. Uit artikel 7:74 sub h BW Pro volgt dat ook kosten uit hoofde van het kredietrisico (dat wil zeggen het risico van wanbetaling door de kredietnemer) onder het begrip kredietvergoeding vallen. Dat, zoals de eisende partij heeft gesteld, krediet wordt verleend zonder rente en andere kosten is dan ook onjuist.
2.7.
Op grond van het voorgaande concludeert de kantonrechter dat niet is komen vast te staan dat sprake is van een kredietovereenkomst die valt onder de uitzondering van artikel 7:58 lid 2 sub e BW Pro. Daarom gaat de kantonrechter ervan uit dat de bepalingen van titel 7:2A BW op deze overeenkomst van toepassing zijn.
2.8.
De eisende partij heeft echter niet gesteld en onderbouwd dat zij heeft voldaan aan de bepalingen van titel 7:2A BW. Ook is niet gesteld en onderbouwd dat de (rechtsvoorganger van de) eisende partij een kredietwaardigheidstoets heeft uitgevoerd, ondanks dat in de algemene voorwaarden van in3 staat dat dit wel gebeurt. Op grond van artikel 111 lid 2 onder Pro d van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv) moet de dagvaarding de eis en de gronden daarvan vermelden en op grond van artikel 21 Rv Pro moet de eisende partij de voor de beslissing van belang zijnde feiten volledig en naar waarheid aanvoeren. De eisende partij heeft niet aan deze eisen voldaan. Daarom wordt de vordering afgewezen.
2.9.
Aan beoordeling van de subsidiaire vordering van de eisende partij (gebaseerd op ongerechtvaardigde verrijking) komt de kantonrechter niet toe. De voorwaarde waaronder deze vordering is ingesteld (vernietiging van de kredietovereenkomst en de koopovereenkomst) is namelijk niet vervuld.
2.10.
De eisende partij wordt in het ongelijk gesteld en zal daarom in de proceskosten worden veroordeeld.

3.De beslissing

De kantonrechter:
3.1.
wijst de vordering af;
3.2.
veroordeelt de eisende partij tot betaling van de proceskosten, die tot en met vandaag voor de gedaagde partij worden vastgesteld op nihil.
Dit vonnis is gewezen door mr. M. Woerdman en op bovengenoemde datum in het openbaar uitgesproken in aanwezigheid van de griffier.
De griffier De kantonrechter