De rechtbank Noord-Holland behandelde op 25 juli 2024 de ontnemingsvordering van de officier van justitie tegen de veroordeelde, die eerder was veroordeeld voor het telen van hennep. De officier van justitie vorderde een bedrag van €157.970,07 als wederrechtelijk verkregen voordeel, gebaseerd op drie hennepoogsten. De veroordeelde betwistte dit en stelde dat slechts één oogst succesvol was, de eerdere pogingen waren mislukt.
De rechtbank onderzocht de feiten en concludeerde dat er aanwijzingen zijn voor ten minste één eerdere oogst, maar dat het bewijs onvoldoende onderscheidend is om meerdere oogsten vast te stellen. De verklaring van de veroordeelde over drie mislukte oogsten werd niet geloofwaardig geacht. De rechtbank baseerde de berekening van het voordeel op één oogst van 411 planten, zonder CO2-toevoeging, en kwam uit op een netto voordeel van €43.222,43.
De rechtbank legde de betalingsverplichting van dit bedrag op aan de veroordeelde en wees de rest van de vordering af. Er werd geen aanleiding gezien om het bedrag te verlagen vanwege onvoldoende draagkracht. De maatregel is opgelegd op grond van artikel 36e van het Wetboek van Strafrecht.